woensdag 16 november 2016

Weer wat geleerd (2)

#justread “Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action, Tome troisième, Ifhâm al-Munkir al-Jânî, Réduction au silence du dénégateur”

Cheikh Ahmad Tijani
El Hadji Malick Sy (kortweg: EHMS) is een soefi en een uitgesproken aanhanger van Mâlik ibn Anas, waarnaar de Malikitische rechtsschool is vernoemd (één van de vier grote rechtsscholen binnen de soennitische islam). Hij is de stichter van een Senegalese tijaniyya leerschool met als hoofdstad Tivaouane, Senegal. Cheikh Ahmad Tijani is zijn Meester.

El Hadji Malick Sy
In “Ifhâm al-Munkir al-Jâni” (“De criticaster tot zwijgen gebracht” is mijn vrije vertaling), kortweg: de Ifhâm, komt EHMS vaker ‘aan de oppervlakte’ dan in de Kifâya (zie deze weblogbijdrage). Nota bene: EHMS brengt de criticasters van de spirituele islam, en dan met name hen die ontkennen wat de tariqa at-Tîjâniyya en zijn Cheikh (Tijani) hebben gebracht, alleen tot zwijgen met argumenten.
(met de benaming "tariqa" wordt een soefi-orde of -broederschap aangeduid, het woord betekent "Weg"of "Pad")

Laat ik je direct zeggen dat dit boek nog zwaardere kost was dan de twee andere delen (Vie et Oeuvre en de Kifâya); al zegt de samensteller/vertaler in de Presentatie van het boek dat de stijl van de Ifhâm hem minder compromisloos lijkt dan die van de Kifâya “waarin hij zonder aanziens des persoons de zaak van de Sharia en de orthodoxie verdedigde, terwijl de Ifhâm verzoenender en kalmer is.” Zoals ik eerder zei in deze korte weblogbijdrage over het lezen van de Ifhâm: “Sommige betekenissen van dit werk lijken voor mij nog verborgen, maar dat past dan wel bij die spirituele benadering van islam”. Dat kan te maken hebben met de opbouw van de hoofdstukken: tekst die bij mij bij tijd en wijle overkomt als een amalgaam waarvan ik niet weet wanneer het ene commentaar van de ene geleerde begint en het andere eindigt. Alhamdulillah is het (meestal) wel duidelijk wanneer EHMS zelf aan het woord is; in tegenstelling tot de Kifâya is hij in de Ifhâm duidelijker aanwezig.

De originele versie van de Ifhâm is geschreven in het Arabisch en is afkomstig van twee verschillende manuscripten (geschreven kopieën - zie foto bij deze alinea). In de editie van de uitgeverij Al-Bouraq die in mijn bezit is, staat de originele Arabische versie op de linkerpagina’s en de Franstalige versie op de rechterpagina’s (zie foto bovenaan deze weblogbijdrage).

Het onderstaande is geenszins een samenvatting of - Allah betere het - een doorwrochte recensie van de Ifhâm. Het zijn mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Ifhâm, gelardeerd met persoonlijke ervaringen en opmerkingen. Deze ervaringen en opmerkingen heb ik voor de duidelijkheid gemerkt door de betreffende tekst blauw te kleuren, zoals hier. Ook nu geldt (evenals bij mijn weblogbijdrage over de Kifâya) dat ik mij verontschuldig voor de wat kromme vertalingen van het Frans. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.


 ⸎


In de presentatie (p. 17-27) steekt de samensteller/vertaler El Hadji Ravane Mbaye de loftrompet over El Hadji Malick Sy en diens werk, de Ifhâm. (p. 19) “We kunnen de Ifhâm […] beschouwen als een fresco van mystieke thema’s, op z’n minst als een samenvatting van de ontwikkeling en de praktijk van de tijani doctrine.” (p. 25-26) Voor wat betreft de Franse vertaling heeft Mbaye geprobeerd zo dicht mogelijk bij het originele Arabisch te blijven. Al zijn er woorden die, simpel vertaald, de gewone lezer niet helpt bij het begrijpen ervan, zoals de term ‘tasawwuf’. Wanneer je deze term als ‘mystiek’ vertaald, kan dit begrip (tasawwuf) worden geladen met betekenissen die in hun essentie christelijk zijn, aldus Mbaye.

In de samenvatting van de tekst (p. 29-30) zegt Mbaye dat de Ifhâm gewijd is aan de doctrine, principes en de gebruiken van de tariqa at-Tîjâniyya – inclusief een weerwoord aan de criticasters; een weerwoord waarmee de gemeenschap van tijani’s zich kan wapenen om zo met argumenten zich te kunnen weren “tegen de twijfels die hun tegenstanders in hun geest proberen te zaaien […] Het werk geeft de indruk antwoorden te geven op een vragenlijst,” aldus Mbaye. Net zoals bij de Kifâya geeft El Hadji Malick Sy aan het eind van de Ifhâm een samenvatting in versvorm.

Van p. 31 tot en met 37 zijn enkele manuscripten afgebeeld waarop Mbaye zijn versie van de Ifhâm heeft gebaseerd.


⸎


De Ifhâm

VOORWOORD (p. 41-47)

De Arabische titel van het boek “Ifhâm al-Munkir al-Jânî” wordt hier anders vertaald dan op de cover. Op de cover staat als Franstalige titel “Réduction au silence du dénégateur” maar in dit voorwoord (en verder in het boek) staat “Réduction au silence du détracteur transgresseur”. Beide vertalingen zullen goed zijn, de taalbarrière speelt mij hier parten.

In dit voorwoord steekt EHMS zoals het hoort eerst de loftrompet op zijn Schepper (Heilig en Verheven) en diens Boodschapper (vrede zij met hem). De Ifhâm biedt gelovigen materiaal om zich te verdedigen tegen aanvallen: “Voor hen die zich beroepen op de Islam is het een plicht het te verdedigen.”

(p. 43) Na loftuitingen op zijn Meester, Cheikh Tijani, verklaart EHMS: “De identiteit van de Ordes, de broederschap en het feit dat de Meesters als één en dezelfde persoon zijn, mag de volgeling er niet van weerhouden zich te houden aan, [laat ik] het goed zeggen: de goede aanwijzingen van zijn Meester, conform de soefi-vormen, met inachtneming van het verschil in doctrines en methodes.” Eenheid in verscheidenheid dus.

INTRODUCTIE (p. 49-89)

In de introductie doet EHMS uitgebreid uit de doeken hoe hij is geïnitieerd in de islamitische studies (Sharia) en in de mystiek (Haqîqa). Ook hier loftuitingen op zijn Meester; wanneer het gaat om het beschrijven van zijn Meester, Cheikh Tijani, dan barst EHMS los in vele superlatieven:

(p. 51) “de Zegel der Heiligheid, de Walî (kan worden vertaald met de Heilige), de Samadânî (m.i. een verwijzing naar vers 2 van soera 113, “Allâhoe samad” Allah is Zichzelf-genoeg, Eeuwig), onze grote meester en gids, de rode Hyacint, Ahmad Ibn Muhammad at-Tîjâni (moge Allah ons laten drinken van zijn oceaan van licht). […] Voor wat betreft meester at-Tîjâni, hij heeft de tariqa ontvangen van de meester der schepselen, Muhammad (vrede zij met hem), in woord, terwijl hij wakker was.” Velen buiten de tariqa at-Tîjâniyya betwisten dat en zetten vragen bij de verschijning van de Profeet (niet alleen bij de verschijning aan Cheikh Tijani maar ook bij verschijningen in het algemeen).

De introductie lijkt deels een curriculum vitae van EHMS. Het bevat een overzicht van welke Meesters hij een ‘ijâza’ (autorisatie, een certificaat of een diploma) heeft gekregen. Van elke ijâza wordt de tekst weergegeven (zoals de referenties die een CV vaak vergezellen). Middenin deze CV weidt EHMS uit over wat Cheikh Tijani in het openbaar (in diens werk “Jawâhir”) heeft doorgegeven over de eigenschappen van soera Al-Fatiha. Deze uitweiding is verdeeld over twee pagina’s (p. 69-71). Ik zal proberen met mijn matige kennis van het Frans dat ik heb, een deel van deze uitweiding woord-voor-woord te vertalen. Op die manier neem ik deze lesstof goed in mij op (het lezen van dit boek en de andere delen beschouw ik als zelfstudie) èn incha Allah heb jij er als lezer van deze weblogbijdrage ook nog wat aan. Het beste voor jou is natuurlijk om dit boek zelf te lezen (als je het Arabisch en/of het Frans machtig bent). Maar goed, tot zover mijn uitweiding. Nú een fragment van de uitweiding (‘Remarque Importante’) middenin de CV van EHMS over de Fatiha:

(p. 71) “Volgend op een lange uiteenzetting, zegt de Meester (Ahmad Tijani), moge Allah tevreden met hem zijn: ‘Zij (de Fatiha) herbergt vijf Namen. Dat zijn in wezen de meest beroemde en de meest edele Namen. Het is door de verhevenheid (noblesse, staat er in de Franse vertaling) en de grote waarde van deze Namen, dat Allah er de Moeder van de Koran, de sleutel naar het Paradijs, van heeft gemaakt - dat het alle gebeden ongeldig maakt waar de Fatiha niet in voorkomt. Het is omdat ze die vijf Namen in zich heeft dat de Fatiha kwaliteiten heeft die boven de andere soera’s staan. Besef dat ze de grootste en meest sublieme Naam in zich heeft waarmee Allah verhoort wanneer men Hem aanroept en [waarmee Allah] geeft wanneer men Hem smeekt. […]”


⸎


HOOFDSTUK I
“De stamboom van de Cheikh” (p. 91-117)


Hierin verhaalt EHMS van de afkomst van Cheikh Tijani, daarbij gebruik makend van twee bronnen: de “Jâmi’” van Ibn al-Machrî (de eerste grote metgezel van de Cheikh) en de “Jawâhir al- Ma’âni” van Cheikh Tijani zelf. EHMS heeft de stamboom op rijm gezet.

In dit geval vind ik het èrg jammer dat het Arabisch niet gevocaliseerd is (niet voorzien van klinkers), want ik had graag deze stamboom willen ‘proeven’ door het uit te spreken - dat lukt mij niet goed wanneer de klinkers ontbreken.


⸎


HOOFDSTUK II
“Zijn Komst en de geboorte van zijn Weg” (p. 119-133)


Geen aandacht voor de jonge jaren van de Cheikh, behalve dan dat hij zijn eerste onderwijs heeft genoten bij zijn ouders en dat hij al op zevenjarige leeftijd de koran uit zijn hoofd kende. Ook zijn zoektocht naar uiterlijke en innerlijke kennis wordt kort beschreven; deze voert langs onder andere Marokko, Tunesië en Arabië (Mekka en Medina). (p. 123) Na een bedevaart werd Ahmad Tijani geïnitieerd in de tarîqa Halwatiyya door zijn Meester Mahmûd al-Kurdî, deze gaf hem toestemming (ijâza) om de mensen deze leer bij te brengen.


Dan volgt een bijzonder deel van dit hoofdstuk. Ahmad Tijani wordt gevraagd zijn meesters te verlaten en nu nog maar op één meester af te gaan: Muhammad (vrede zij met hem). Dit op verzoek vàn Muhammad (vrede zij met hem). Ik zal proberen een duidelijke vertaling te geven van dit deel. De vertaling is van het Frans naar het Nederlands, deels maak ik daarbij gebruik van diverse onlinewoordenboeken (géén Google Translate). Bij voorbaat mijn excuses wanneer de zinnen door mijn vertaling niet lekker lopen. Goed, over de verschijning van Muhammad (vrede zij met hem) aan Ahmad Tijani:

(p. 125) “Nadat hij voor wat betreft de initiatie middels de conventionele methode (istilâh) had verkregen waarnaar hij op zoek was, ten dele een overvloedige en aanzienlijke schat, schonk Allah hem [in 1782] de perfecte mystieke Inwijding (Ouverture, zo staat er in het Frans) door de verschijning van de Profeet (vrede zij met hem) die hij innerlijk zag met zijn eigen ogen, die hem gebood de initiatie die hij tot nu toe middels de conventionele methode had gehad, los te laten, zeggende, aldus meester Zarrûq: “Het onderricht middels de conventionele methode (istilâh) bestaat niet meer. Er rest niets meer dan het onderricht middels inspiratie (himma, ‘dessein’ staat er in het Frans).
“Toen zei de Profeet hem: ‘Breek met je meesters. Niemand mag voor jou nog iets betekenen. (Nul de devaient rien te prévaloir). Ik ben vanaf nu jouw meester, jouw initiator. Jij bent mijn echte zoon.’ Dit herhaalde hij drie keer.
“Aldus heeft hij bij hem de litanie (wird) gegeven om te reciteren, [de litanie] die wij heden ten dage verrichten (dan gaat het om de Lazim die je twee keer per dag in afzondering dient te reciteren, elk deel wordt honderd keer gereciteerd):


- de istighfaar (“Astaghfiroellah”)
- de Salaatoul Fatih (gebed voor de Profeet), later nog gecompleteerd met:
 - de tahliel, ook wel ‘haylala’ genoemd (“La ilaha ill’Allah”)

Deze initiatie van Ahmad Tijani door de Profeet (vrede zij met hem) vond volgens de letterlijke tekst van pagina 129 plaats in het jaar 96. Volgens een voetnoot komt dit overeen met het jaar 1782 A.D. Ik heb geen idee met welke jaartelling we hier te maken hebben. Ik ga er achteraan en incha Allah kan ik later zeggen: “Weer wat geleerd!”


⸎


HOOFDSTUK III
“De spirituele vorming” (p. 135-167)


(p. 135) Herhaald wordt dat de tijd van onderricht volgens de reguliere methode (istilâh) voorbij is en dat we alleen nog maar profijt kunnen hebben van onderricht middels ‘himma’ (dessein, inspiratie) en ‘hâl’ (mystieke staat). “Conformeer je dus aan de Koran en de Sunna, niet meer en niet minder. Hetzelfde geldt voor het gedrag dat je moet aannemen ten opzichte van Allah, de ziel (nafs) en de mensen.

“De houding ten opzichte van Allah draait om drie punten:
 1) Verplichtingen nakomen
2) Verboden vermijden
3) Vertrouwen op (de wil van) Allah

“De te nemen houding ten opzichte van de nafs draait ook om drie punten:
1) Onpartijdigheid zijn
2) De nafs niet koste wat kost als onschuldig zien
3) Jezelf beschermen tegen je fouten daar waar het aankopen, overdracht, voorstellen, l’abord et la séparation betreft (die laatste twee begrippen heb ik niet kunnen vertalen, ook niet in zijn context bezien)

(p. 135) “Voor wat betreft de omgang met de mensen, gaat het [ook] om drie punten:
1) Geef hen wat ze verdienen / waar ze recht op hebben
2) Hecht geen belang aan hun goederen
3) Veroorzaak bij hen geen wrevel, behalve als je iemand de waarheid moet zeggen of bij overmacht (à practiquer obligatoirement staat er in het Frans).

EHMS benadrukt het belang van een meester die een aspirant op de goede weg kan houden of waar nodig daarop kan terugbrengen. Echter, genoeg geleerden die van mening zijn dat zulke meesters niet meer bestaan.

Vanaf p. 153 (tot en met p. 155) laat EHMS Ahmad Ibn Hâlid aan het woord; het gaat hierbij over de landen in de Maghreb in de tiende eeuw (van de Hidjra) maar het zou net zo goed over het Senegal van EHMS en het huidige Senegal kunnen gaan. In het kort gaat het om een grote groep die hun Meester boven andere meesters stellen.

Veel van hoofdstuk III gaat boven mijn tulband maar aan het eind van dit hoofdstuk vind ik op pagina 165 een stuk tekst waar ik wat mee kan, als belangstellende van de tariqa at-Tîjâniyyah (tot nu toe heeft het mij moeite gekost mij een weg te banen door de voorgaande bladzijden):

(p. 165) Op deze pagina laat EHMS de geleerde al-‘Arabi Ibn as-Sâ’ih aan het woord die onder andere zei: “Spirituele vorming, evenals innerlijke reiniging, in onze edele en erkende al-Muhammadiya broederschap, bestaat uit het reciteren van de originele litanie die wij kennen (de ‘wird’ of ‘lazim’) en waarmee wij zònder geen toegang zouden hebben. Dit geldt voor zowel de elite als de massa. Er zijn andere litanieën die niet minder verplicht zijn, te weten de wazifa die we kennen en de ‘haylala’ (tahliel) die we vrijdag na het asr gebed reciteren – met inachtneming [van dat alles] is het belangrijkste het met uiterste precisie verrichten van de vijf dagelijkse gebeden, volgens de benodigde wijzen en vastgestelde regels van de sharia.” Kijk, daar kan ik wat mee :-)


⸎


HOOFDSTUK IV
“De tarîqa al-Muhammadiya al-Ahmadiyya” (p. 169-197)


de tombe van Cheikh Tijani te Fez, Marokko

Een hoofdstuk gewijd aan de tarîqa, rekening houdend met de kritieken op deze tarîqa en deze kritieken ook parerend. Het is een hoofdstuk dat voor mij in hoge mate onoverzichtelijk is: véél commentaren in commentaren (waar eindigt het ene commentaar en waar begint het andere), citaten in citaten (is EHMS nu aan het woord of een geleerde die hij citeert) (soms citeert EHMS een geleerde die een andere geleerde citeert). Laat ik mij beperken tot een keuze uit delen die ik wel denk te begrijpen:

(p. 175-181) Heiligen en Meesters kunnen ook ná hun dood nog inspireren. Hun volgelingen worden door de geleerde Zarrûq in vijf categorieën ingedeeld:

1) Hij waarvoor Allah Zelf voor het spiritueel onderricht zorgt zonder enige vorm van tussenkomst

2) Hij die spiritueel wordt onderricht door de Profeet (vrede zij met hem)

3) Hij die spiritueel wordt onderricht door een nog levende Heilige (walî). Hierover zei Cheikh Tidjani: “De spirituele meester moet worden gezocht door de volgeling als een zieke die, verslagen door ziekte, zich niet kan genezen en is veroordeeld tot het inroepen van de hulp van een dokter. […] Onverschillig blijven ten opzichte van een walî levend in jouw tijd, is als onverschillig zijn bij de oproep (appèl) van een Boodschapper van Allah van een bepaalde tijd.”

4) Hij waarvan het spiritueel onderricht wordt door een muqaddam die hem een wird geeft die toebehoort aan één van de overleden geliefde gnostische meesters – de toestemming op deze wijze een wird te praktiseren is een immense zegening.

5) Hij waarvan het spiritueel onderricht wordt verzekerd door een overleden walî die tijdens zijn leven tot de grootste Heiligen behoorde. De geleerde al-Fâsî zegt hierover: “De geleerden hebben ook gezegd dat een levende volgeling spiritueel gezien deels kan bogen op zijn overleden meester.” En dan over de te volgen meester:

(p. 183) “Hij die strikt de vijf fundamenten van de Islam naleeft, met inachtneming van de verplichtingen, de voorwaarden en de aanbidding die ze in zich hebben - [hij die] zich onthoudt van het verbodene, zich voegt naar de Traditie van de Profeet (vrede zij met hem) - [hij die] wel weet wat Allah heeft voorgeschreven voor alles wat hij wilt ondernemen - en [hij waarvan] de geleerden van zijn tijd unaniem zijn Heiligheid erkennen – hij is het waard om gevolgd te worden en men moet hem gehoorzamen. Hij bij wie één van deze eigenschappen ontbreekt mag niet in overweging genomen worden [om te volgen].”

En dan over de valse meesters:

(p. 185) Op deze pagina zegt EHMS (of Zarrûq): “[…] de massa vecht erom om hen [de valse meesters] cadeaus aan te bieden, we zien hele volksstammen met cadeaus naar ze toegaan. De reden van deze verdwaasdheid is dat zij [de volgelingen] demonen dienen die hen opdragen: - de dagelijkse gebeden te laten, of ze wel te verrichten maar dan zonder de rituele wassing – of de rituele wassing te verrichten met urine – of de gebeden expres zonder geldige reden zittend te verrichten. Wanneer je hen [de volgelingen] vraagt waarom ze bidden, antwoorden ze dat ze niet in staat zijn het anders te doen. De demonen kunnen hen net zo goed opdragen het interieur van de moskee met hun eigen urine te bevuilen.”

EHMS gaat ook in op de invloed die overleden Meesters hebben. Daarbij haalt hij de meester al-Haddâd aan:

(p. 193) “Hij zei ook: ‘Bij de dood van mannen van verdienste verliezen we alleen hun lichamelijke verschijning. Maar hun essentie (réalités essentielles) blijft voortbestaan. Zij leven in hun graven. Als de walî in hun graven leven, verliezen ze niets van hun kennis, van hun intelligentie, van hun spirituele kracht. Eenmaal overleden, winnen hun zielen aan inzicht, aan kennis, aan spiritueel leven en richten zij hun aandacht meer op Allah. Als er aan beroep op hun zielen wordt gedaan met welke wens / welk voornemen dan ook, dan realiseert Allah die wens/ dat voornemen om ze eer aan te doen.”

Vele niet-spirituele gelovigen (en niet-gelovigen) haken wellicht af bij zulke alinea’s. Maar wacht, er is meer :-). Zoals deze alinea:

(p. 193) “Maar de schepping ex nihilo (uit het niets) is alleen voorbehouden aan Allah, alleen aan Hem. Hij is niets of niemand in enige opzicht gelijk. Aldus heeft de leven de of overleden walî welbeschouwd geen enkele invloed op wat dan ook. Wie overtuigd is van het feit dat de walî enige invloed heeft op wat dan ook, is een ongelovige. Zo zijn er tussen de bewoners van de Tussenwereld (barzâh) walî die zich bevinden in de nabijheid van Allah (Heilig en Verheven). Als iemand zich tot hen richt [met een verzoek] om bemiddeling, richten zij zich op hun beurt tot Allah ter realisering van dit verzoek.”


⸎


HOOFDSTUK V
“Weerlegging van kritieken” (p. 199-337)

EHMS neemt uitgebreid de tijd om zijn lezers te voorzien van materiaal om kritieken op de tariqa te kunnen verleggen. Probleem is alleen dat ik van dit hoofdstuk niet alles begrijp. Laat ik ook hier, net zoals bij het voorgaande hoofdstuk, wat fragmenten voorbij komen waarvan ik denk dat ik het wel (deels) begrijp. Om toch te proberen de essentie van het gehele hoofdstuk te grijpen, zal ik van een aantal koranverzen die door EHMS geciteerd worden een Nederlandse vertaling weergeven (afkomstig van een Arabisch-Nederlandse koran die ik thuis heb). Uiteraard zal ik ook linken naar de betreffende online koranverzen (op die manier kun je ook het Arabische origineel van deze verzen raadplegen, tevens vind je dan interpretaties in andere talen dan het Nederlands).

ZIKR (v.a. p. 199)
Als eerste komt zikr aan de beurt. Blijkbaar zijn er genoeg gelovigen die hier vraagtekens bij stellen. Uiteraard wordt hier het koranvers 33:41 aangehaald: “O, gij die gelooft! Gedenkt Allah veelvuldig.” De zikr is het loven van Allah, dus wat zeur je nou? Zo luidt de essentie van het weerwoord. Vele voorbeelden worden aangehaald: koran, hadiths, maar met name commentaren van geleerden.

SALAATOUL FATIH (v.a. p. 203)
De Salaatoul Fatih is het gebed voor de Profeet dat deel uitmaakt van de wird en de Wazifa, litanieën die dagelijks meerdere malen in afzondering (wird, Lazim) en in gezelschap (Wazifa) worden gereciteerd door aanhangers van de tarîqa at-Tîjâniyya. De Salaatoul Fatih is een gebed waaraan veel waarde wordt gehecht, het is immers overgedragen aan Cheikh Tijani door onze Profeet Muhammad zelf.

www.youtube.com/watch?v=oNr6WX_BMEM



JAWHRATOUL KAMAL (v.a. p. 209)
Ook de Jawhratoul Kamal moet het ontgelden. Dit gebed voor de profeet is het laatste deel van de Wazifa. De kritiek op Cheikh Tijani voor wat betreft dit gebed is met name: waarom mag dit gebed alleen worden uitgesproken wanneer je de rituele wassing met water hebt verricht (en niet bijvoorbeeld een symbolische reiniging met zuiver zand). “Alsof de Jawhratoul Kamal belangrijker is dan de dagelijkse gebeden (salaat) die - wanneer het niet anders kan – wèl mag worden gedaan na een symbolische reiniging met zand. Weerwoord van EHMS: Je kunt zo zien dat de salaat belangrijker is dan de Jawhratoul Kamal, omdat de Jawhratoul Kamal als onderdeel van de Wazifa mag worden vervangen (door bijvoorbeeld de Salaatoul Fatih) terwijl de salaat niet vervangen mag worden. Aan de salaat mag niet getornd worden, het is immers één van de vijf zuilen van de Islam.

www.youtube.com/watch?v=NsT4ifPNKB0



Dit gebed voor de Profeet is mij zeer dierbaar. Het heeft héél lang geduurd tot ik het uit het hoofd kon reciteren. Ik heb dus heel lang de Wazifa gereciteerd zonder aan het eind twaalf keer de Jawhratoul Kamal; in plaats daarvan dertig keer de Salaatoul Fatih. Ik heb overigens alleen toestemming voor het gebruik van de Salaatoul Fatih bij mijn aanbidding (zie mijn weblogbijdrage Faith & Fatih van 29 april 2007) maar in mijn enthousiasme ben ik mij ook de Jawhratoul Kamal eigen gaan maken – en met succes, mash’Allah. Dat lijkt wel op mijn periode vlak voor mijn bekering tot de islam: ik kende de salaat al uit mijn hoofd en bad al mee zonder dat men door had dat ik nog geen moslim was.

VERSCHIJNING VAN DE PROFEET (v.a. 231)
EHMS maakt ook korte metten met hen die het bi’da (een toevoeging aan de geloofspraktijk) vinden dat er wordt gesproken over de aanwezigheid van de Profeet bij vieringen, zikr en andere religieuze gebeurtenissen: “Voor wat betreft de mogelijkheid van de Aanwezigheid van de Profeet tijdens religieuze bijeenkomsten: alleen de onwetende verwerpt dit, want hij gaat voorbij aan het feit dat zulks vele mannen van verdienste is overkomen.” EHMS geeft dan enkele voorbeelden. Of dit twijfelaars over de streep kan trekken, betwijfel ik, het blijft een kwestie van geloof. “Men ziet hem (de Profeet) van binnen en niet met het oog. Het bewijs hiervoor is dat een blinde hem ook kan zien.”

GEZAMENLIJKE ZIKR, KORANRECITATIE (v.a. p. 243)
“Er zijn er die gezamenlijke zikr bekritiseren terwijl dit juist in vele landen dagelijkse praktijk is. In de hadith-verzameling van Boechari is er zelfs een ‘Hoofdstuk over de legitimiteit van het samenkomen in een kring voor kennisvergaring, koranrecitatie en zikr’. (Gezamenlijke) zikr is sunnah, punt uit.

COEXISTENCE ET PROXIMITÉ D’ALLAH (v.a. p. 271)
In dit gedeelte van hoofdstuk V raak ik echt het spoor bijster. Het gaat hier over twee belangrijke begrippen: de “Coexistence” en “Proximité” van Allah, twee eigenschappen van de Essentie van het Opperwezen waarmee uiteraard Allah (Heilig en Verheven) bedoeld wordt. Deze twee eigenschappen vertaal ik, bij gebrek aan beter, als "Meebestaan" en "Nabijheid". De informatie in dit deel is tè diep voor mij. Alhamdulillah wordt er veelvuldig uit de koran geciteerd:

Soera al-Hajj 22:18 “Hebt gij dan niet gezien dat alles zich voor Allah nederwerpt, wat in de hemelen en op aarde is, de zon, de maan, de sterren, de bergen, de bomen, het vee en een groot deel der mensen; maar toch valt nog velen de kastijding ten deel. En die Allah vernedert, kan niemand verheffen. Voorwaar, Allah doet wat Hij wil.”

Soera al-Baqara 2:3 “[De godvrezenden] die in het onzienlijke geloven en het gebed houden en die weldoen met hetgeen Wij hen hebben geschonken.”

Soera al-Hadied 57:4 “Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes perioden schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen nederkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar gij ook zijn moogt, want Allah ziet alles wat gij doet.”

Soera al-Moedjadilah 58:7 “Ziet gij niet, dat Allah alles weet wat in de hemelen en op aarde is? Er is geen geheim gesprek van drie (personen) zonder dat Hij de vierde is, noch van vijf, zonder dat Hij de zesde is, noch van minder noch van meer, zonder dat Hij met hen is, waar zij ook mogen zijn. Dan zal Hij hen op de Dag der Opstanding mededelen wat zij deden. Voorzeker, Allah heeft kennis van alle dingen.”

Soera an-Noer 24:17 “Allah waarschuwt u om nooit tot iets dergelijks terug te vallen indien gij gelovigen zijt.”

Soera al-Anfal 8:42 “Toen gij op de nabijzijnde kant waart en zij [de vijand] zich op de andere zijde bevonden en de karavaan beneden u was; en indien gij een onderlinge afspraak had gemaakt, zoud gij ten opzichte van die afspraak zeker (van mening) hebben verschild. Maar (dit gebeurde) zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand zou brengen, zodat hij die zou omkomen door een duidelijk teken zou sterven en dat hij die zou leven door een even duidelijk teken zou blijven leven. En voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend.”

Soera Muhammad 47:35 “Weifelt daarom niet, noch roept om vrede, want gij zult de overhand hebben. Allah is met u en Hij zal uw daden teniet doen.”

Soera al-Ankaboet 29:69 “En zij die naar Ons streven, - Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden. Voorwaar, Allah is met hen die goed doen.”

Soera al-Anfal 8:46 “En gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en redetwist niet met elkander, anders zult gij laf worden en uw kracht zal vergaan. En weest geduldig, voorzeker Allah is met de geduldigen.”

Soera ash-Shoera 42:11 “Hij is de Schepper der hemelen en der aarde. Hij heeft u tot paren gemaakt, evenals het vee, te uwen behoeve. Daardoor vermenigvuldigt Hij u. Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende.”

Soera al-Waqiah 56:84-85 “En gij ziet toe – op dat ogenblik zijn Wij dichter bij hem dan gij, maar gij ziet dit niet.”

Soera Qaf 50:16 “En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn Ik hem toefluistert. En Wij zijn nader tot hem dan zijn halsader.”


Soera al-Anam 6:18 “Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren en Hij is de Alwijze, en van alles op de hoogte.”

Soera al-Moelk 67:3-4 “Hij Die de zeven hemelen opeenvolgend heeft geschapen. Gij kunt geen tekort zien in de schepping van de Barmhartige. Kijk dan nog eens; ziet gij geen enkel gebrek? Kijk dan weer eens en dan nog eens, uw blik zal vermoeid en verzwakt tot u terugkeren.”

Soera al-Jinn 72:26-27 “Hij is de Kenner van het onzienlijke en Hij geeft niemand overvloedig kennis van Zijn geheimen. Behalve hem die Hij als boodschapper kiest. Dan doet Hij een wacht vóór hem en achter hem gaan.”

Soera Yunus 10:63-64 “Zij die geloven en zich aan rechtvaardigheid houden, er zijn voor hen blijde tijdingen in het tegenwoordige leven en het Hiernamaals. De woorden van Allah kennen geen verandering - dat is inderdaad de opperste zegepraal.”

Soera Ta-Ha 20:46 “Hij (Allah) zei: ‘Vreest niet, want Ik ben met u. Ik hoor en Ik zie.” Soera at-Tauba 9:40 “Als gij hem (de profeet) niet helpt, voorzeker Allah hielp hem, toen de ongelovigen hem verdreven - toen hij één van de twee was – en zij beiden in de grot waren en hij tot zijn metgezel zeide: ‘Treur niet, want Allah is met ons.’ Toen zond Allah Zijn vrede op hem neder en versterkte hem met scharen (van engelen) die gij niet zaagt en vernederde het woord van de ongelovigen en Allah’s woord is het allerhoogste. En Allah is Almachtig, Alwijs.”

Soera ash-Shoeara 26:61-62 “En toen de twee scharen elkander zagen, zeiden de metgezellen van Mozes: ‘Wij worden zeker ingehaald.’ ‘In geen geval!’ zeide hij, ‘Mijn Heer is met mij. Hij zal mij leiden’.”

Soera an-Nahl 16:128 “Voorwaar, Allah is met degenen, die (God) vrezen en goeddoen.”

Deel 1 van de Jawhratoul Kamal
JAWHRATOUL KAMAL (v.a. p. 315)
Nogmaals de Jawhratoul Kamal. Ik heb geleerd het twaalf maal te reciteren (als onderdeel van de Wazifa). Volgen er in dit deel hele verhandelingen over mensen die menen dat het elf keer gereciteerd moet worden, zoals in het begin de gewoonte was. EHMS ziet het reciteren “met elf stenen” als heiligschennis omdat Cheikh Tijani immers later in zijn leven het reciteren van de Jawhratoul Kamal heeft vervolmaakt met het toevoegen van “een steen”. Die stenen verwijzen natuurlijk naar de gebedsketting die bij het reciteren gebruikt wordt.

SALAATOUL FATIH (v.a. p. 323)
Het grootste deel van dit deel over de Salaatoul Fatih wordt in beslag genomen door een op rijm gezette verhandeling (p. 325-331) waarin de verdiensten van (het reciteren van) de Salaatoul Fatih voorbij komen. EHMS stelt dat het regelmatig reciteren van dit gebed voor de Profeet je sleutels geeft die deuren naar spirituele geheimen openen. Zelf hecht ik veel waarde aan het reciteren van dit gebed, maar ik heb nog zeker niet het idee dat het voor mij deuren heeft geopend. Dat geeft ook niet. De Salaatoul Fatih heeft inmiddels een vaste plaats in mijn aanbidding, daar voel ik mij goed bij en incha Allah is mijn Schepper tevreden met wat ik doe. En, sabr is een schone zaak ;-)

VERDRAAGZAAMHEID (v.a. p. 333)
Het laatste deel van dit hoofdstuk (V) gaat over verdraagzaamheid binnen de moslimgemeenschap. Strekking: Wanneer je een medemoslim haat omdat hij wat heeft uitgehaald wat niet mag, veroordeel dan wat hij heeft gedaan en niet de medemoslim zelve. Alles goed en wel. Maar dat zie ik mij nog niet in honderd procent van de gevallen doen, zeker daar waar het terrorisme betreft gepleegd door medemoslims.



⸎


HOOFDSTUK VI
“Kritiek en schending van de eed” (p. 339-407)

VALSE MEESTERS 1 (v.a. p. 339):

Een hoofdstuk gewijd aan hen die voorwenden dat zij toestemming hebben gelovigen te initiëren in de Orde. Dan gaat het met name om hen die zich niet aan de leer van de Cheikh houden en dus niet zijn voorbeeld volgen. Deze houding knabbelt aan de basis van de tarîqa at-Tîjâniyya. EHMS: “Zij bouwen op met hun woord, maar breken af met hun daden.” Op deze manier kunnen volgelingen, wanneer zij niet gewaarschuwd zijn, van de Orde (tariqa) afdwalen, zonder dat ze het in de gaten hebben.

Soera at-Tawbah 9:74 “Zij zweren bij Allah, dat zij niets zeiden, maar voorzeker zij spraken het woord des ongeloofs en na de Islam te hebben aanvaard, verwierpen zij deze en zij besloten tot hetgeen zij niet konden volbrengen. Zij koesterden haat alleen omdat Allah en Zijn boodschapper hen uit Zijn overvloed hadden verrijkt. Als zij berouw tonen zal het beter voor hen zijn, maar indien zij zich afwenden zal Allah hen met een pijnlijke straf in deze wereld en in het Hiernamaals straffen en zij zullen op aarde vriend nog helper hebben.”

Soera al-Humazah 104:6-7 “Het is het Vuur dat Allah heeft aangewakkerd, dat boven de harten zal opstijgen.”

INITIATIE (v.a. p. 347):

Van pagina 347 tot en met 359 wordt de wijze van initiëren beschreven, eindigend met een overzicht van vijf manieren waarop een verbond met een Orde wordt aangegaan, elke volgende wijze lijkt een niveau hoger dan die daarvoor:

1) Het uitspreken van de tahliel (de ‘haylala’) met de vuisten tegen elkaar (dan wordt er neem ik aan bedoeld de vuisten van de Meester tegen de vuisten van de volgeling)

2) Sympathie uiten voor de leden van de Orde door zich bij hen aan te sluiten, niet slechts door het simpelweg reciteren van één van hun litanieën maar, zegt EHMS, “[kijk ook naar] wat de meester Abû al Hasan asj-Sjâdilî heeft gezegd: ‘Hij die onze hizb reciteert heeft zo dezelfde rechten en plichten als ons met betrekking tot barmhartigheid’.”

3) Toestemming krijgen de werken en de gebeden van de Orde te gebruiken zonder te zoeken naar de betekenis, maar slechts voor het verkrijgen van zegeningen. Nu ik duidelijk niet alle betekenissen neergelegd in deze en de twee andere werken over El Hadji Malick Sy kan doorgronden, maar wèl zeer gemotiveerd ben de litanieën typisch voor de tariqa at-Tîjâniyyah te gebruiken in mijn aanbidding, lijkt deze wijze van verbintenis aan de tariqa mij, op dit moment althans, op het lijf geschreven.

4) Kennis opdoen in de vorm van het lezen van hun werken en huh gebeden [met de intentie] de betekenis binnen te dringen zonder zich aan de praktijk ervan te conformeren.

5) Het zich opleggen van spirituele oefening, perfectie en uitdraging door te werken met, en op te gaan in, de Eenheid en de Eeuwigheid.




Soera al-Fath 48:10 “Voorwaar, zij die u trouw zweren, zweren trouw aan Allah; Allah’s hand rust op hun handen. Doch wie Zijn eed schendt, doet dit tot zijn eigen nadeel en wie zijn belofte aan Allah vervult, Hij zal hem een grote beloning geven.”

Soera al-Moemtahinah 60:12 “O profeet! Waneer gelovige vrouwen tot u komen, haar eed van trouw aan u afleggende; dat zij niets met Allah zullen vereenzelvigen, en dat zij noch zullen stelen, noch overspel plegen, noch hun kinderen doden, noch laster die zij moedwillig hebben verzonnen, zullen uiten, noch ongehoorzaam zullen zijn aan u in wat recht is, neem dan haar trouw aan en vraag vergiffenis voor haar van Allah. Waarlijjk, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.”

Soera asj-Sjarh 94:5-6 “Voorwaar, zo komt gemak naast ongemak. Voorwaar, gemak komt naast ongemak.”

Soera al-Isra 17:14 “Lees het boek. Uw eigen ziel is op deze dag als rekenaar tegen uzelf voldoende.”




EENHEID IN VERSCHEIDENHEID (v.a. p. 361):

EHMS: “De verspreiding van de Ordes heeft te maken met de verschillen in geschiktheid en met de natuurlijke aanleg. Want twee individuen zien nooit iets op dezelfde manier. En het is onmogelijk dat de Allerhoogste aanwezig is bij de één en afwezig bij de ander.”

Soera ar-Rahmaan 55:29 “Van Hem smeken allen, die in de hemelen en op de aarde zijn, (gunsten) af. Elk ogenblik toont Hij een andere Heerlijkheid.”

Soera Ta-Ha 20:98 “Uw God is slechts Allah, naast Wie er geen God is. Hij omvat alle dingen in Zijn kennis.”

Soera Yusuf 12:76 “[…] Wij bevorderen in graden (van kennis en eer) wie Wij willen. Boven elke wetende staat de Alwetende.”

VALSE MEESTERS 2 (v.a. p. 365):

Dan komt EHMS terug op het oorspronkelijke onderwerp van dit hoofdstuk: zij die voorwenden toestemming hebben te initiëren. In zijn tijd ziet EHMS veel van zulke mensen: “Keuze genoeg”, zegt hij met zoveel woorden. Zulke mensen die uit vrije wil de voorschriften de voorschriften misbruiken hebben Zijn Woord niet goed begrepen. Daarbij haalt EHMS vers 1 van soera 5 (al-Maidah) aan: “O, gij die gelooft, komt uw verdragen na […]” dat wil zeggen de verdragen tussen de Mens en Allah, die tussen de mensen onderling èn – specifiek voor soefi’s – de verdragen tussen volgelingen en spirituele meesters.

Het zoeken naar een spirituele meester wordt zo wel erg moeilijk, lijkt me. Want wie, met name in deze tijd, kan nog een betrouwbare meester vinden? Hoe kun je er van overtuigd zijn dat iemand jou op het pad van de tariqa kan leiden?

(p. 385) “De spirituele Meester moet worden gezocht als een dokter die wordt gezocht door een zieke die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte” en, nòg belangrijker: eenmaal verbonden aan de tariqa mag een volgeling geen meester van een andere tariqa bezoeken om ook daar zegeningen te ontvangen (dat heet het ‘opeenstapelen van wirds’).



⸎


HOOFDSTUK VII
“Tabak en het bezoek aan heiligen” (p. 409-427)

Twee heel verschillende kwesties in één hoofdstuk; apart om ze in één adem ‘genoemd’ te zien worden. Over het gebruik van tabak zijn de meningen verdeeld, maar aldus EHMS:

(p. 417) “De meerderheid van de gewetensvolle rechtsgeleerden, waaronder alle soefi’s met hun gereinigde harten, hebben het (tabak) ronduit verboden. En ik ben er van overtuigd dat wanneer de rechtsgeleerden van mening verschillen over een voorschrift en de soefi’s nemen [allemaal] één en hetzelfde standpunt in, dat zij dan de waarheid aan hun zijde hebben – [zeker] wanneer wij weten dat Allah hen steunt en dat zij verstoken zijn van aardsgenot en dat zij altijd praten volgens [de principes van] waarheid en rede.”

De tweede kwestie gaat natuurlijk over het bezoeken van heiligen die niet behoren tot jouw eigen tariqa (zoals eerder aangestipt in het vorige hoofdstuk). Ook daarover (wat een verrassing) verschillen de geleerden van mening. Met betrekking tot zulke bezoeken deelt EHMS meesters in in drie categorieën (p. 421):

1) “Zij die hun volgelingen welke soort bezoek dan ook aan een andere meester niet verbieden

2) “Zij die zulke bezoeken absoluut verbieden om te voorkomen dat zij de ene Meester boven de andere stellen

3) “Zij die zulke bezoeken verbieden totdat blijkt dat de volgeling in kwestie perfecte zelfbeheersing en zelfcontrole heeft en dat ze beseffen dat de bron waarvan de meesters drinken [voor elk van hen] dezelfde is. Het verbod eenmaal opgeheven staat het hen vrij hen te bezoeken die ze willen.”

Cheikh Tijani verbiedt het zijn volgelingen om anderen te bezoeken. Daarover zegt EHMS aan het eind van pagina 421 het volgende:

“Ik wil aangeven dat het verbod van onze Cheikh […] hem niet is ingegeven door een simpele zendingsijver. Het is een bevel van de Meester der schepselen (Muhammad, vrede zij met hem) die, na het voltooien van zijn (de Cheikhs) spiritueel onderricht, dit verbod heeft ingesteld als een clausule om de Orde te respecteren. Ook heeft hij (Muhammad) hem (de Cheikh) gevraagd volgelingen de toestemming af te nemen om de wird te verrichten wanneer zij deze clausule overtreden.”


⸎


APPENDIX
“De doctrine van de Tîjâniyya broederschap” (p. 429-465)

Deze appendix is een verhandeling over de beginselen van de broederschap der tijani’s verdeeld in vier delen: 1) verplichtingen en voorwaarden, 2) regels met betrekking tot het reciteren van de wird (Lazim), 3) regels met betrekking tot de Wazifa en 4) regels met betrekking tot de tahliel (de ‘haylala’) die vrijdags na het namiddaggebed gezamenlijk wordt gereciteerd (de Hadratoul Juma).

De inhoud van deze appendix ben ik al regelmatig tegengekomen op diverse tijani websites. Tekstlinks in de alinea hierboven verwijzen naar meer achtergrondinformatie over de genoemde thema’s. Voor meer informatie over het tijanisme verwijs ik je naar: www.asfiyahi.org.


⸎


Dit waren mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Ifhâm. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.



donderdag 3 november 2016

Blokje om

Een blokje om, zoals gewoonlijk elke avond na het eten. Mijn favoriete soundtrack is dan de koran. Vandaag mengt het Woord zich met de regendruppels: beiden een geschenk van Allah, Heilig en Verheven. sunufm.com/al-quran

woensdag 2 november 2016

Genieten!

Na het lezen van een goed boek proberen de betekenissen te doorgronden door het verwerken van mijn aantekeningen: Quality Time! (op de achtergrond hoor je Al Quran FM, 24/7 quran: sunufm.com/al-quran)

www.youtube.com/watch?v=BA5yLmhq2nc

woensdag 26 oktober 2016

Afgeleid, gebedstijd reeds verstreken

Ik ben al even bezig met het lezen van de Ifhâm van El Hadji Malick Sy (EHMS), een boek over spiritualiteit binnen islam en dan specifiek over de Tijaniyya Orde. Het gebeurt me vaker dat ik er zo in verdiept ben dat het bidden erbij inschiet. Zoals zojuist.

Dàt is niet de bedoeling, Abdulwadûd!
Ik roep mezelf tot de Orde, doe de wassing en verricht het gebed. Daarna wèl snel weer terug naar de Ifhâm; sommige betekenissen van dit werk lijken voor mij nog verborgen, maar dat past dan wel bij die spirituele benadering van islam ;-)

dinsdag 25 oktober 2016

Wintertijd vanaf zondag 30 oktober 2016 (denk aan de aanpassing van de gebedstijden!)

Ja, dat wordt weer wennen. In de nacht van zaterdag 29 op zondag 30 oktober 2016 gaat de wintertijd in en wordt om 03.00 uur de klok teruggezet naar 02.00 uur; zo duurt deze nacht, door menselijk ingrijpen, een uur langer dan normaal. LET OP! Zondag 30 oktober a.s. zijn de gebedstijden dus een uur vroeger dan de dag ervoor!

De mens probeert de tijd naar zijn hand te zetten, maar uiteindelijk is het alleen Allah, Heilig en Verheven, die Tijd heeft geschapen.
Hij is het, Die de zon tot een stralend licht maakte en de maan tot een helder licht en er stadia voor verordende, zodat gij het getal der jaren en het berekenen (van de tijd) mocht kennen. Allah heeft dit niet dan in waarheid geschapen. Hij zet de tekenen uiteen voor een volk, dat wil weten. (soera 10, aya 5)

dinsdag 18 oktober 2016

Allaaahoe Akbar! Uw bestelling...

Dit is echt iets voor de SGP en al die andere islam-haters. "Ober, één takbier, alstublieft!"

zaterdag 15 oktober 2016

Quality Time




Weer wat geleerd (1)

#justread “Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action, Tome deuxième, Kifâyat ar-Raghîbîn, Ce qu’il faut aux bons croyants”

Cheikh Ahmad Tijani
El Hadji Malick Sy (kortweg: EHMS) is een soefi en een uitgesproken aanhanger van Mâlik ibn Anas, waarnaar de Malikitische rechtsschool is vernoemd (één van de vier grote rechtsscholen binnen de soennitische islam). Hij is de stichter van een Senegalese tijaniyya leerschool met als hoofdstad Tivaouane, Senegal. Cheikh Ahmad Tijani is zijn Meester.

El Hadji Malick Sy
In “Kifâyat ar-Raghibîn” ("Wat goede gelovigen moeten weten" is mijn vrije vertaling), kortweg: de Kifâya, behandelt EHMS in twee delen een keur aan vele thema’s. Zijn eigen mening komt nauwelijks aan bod (wanneer dat wel gebeurt is dat een echte uitzondering). De hoofdstukken zijn ingedeeld per onderwerp maar vaak genoeg gaat EHMS binnen een hoofdstuk off-topic. Komt daarbij dat deze hoofdstukken gevuld zijn met enkele korancitaten, vele hadiths (overleveringen) en met name héél erg veel commentaren die hij citeert van rechts- en andere geleerden. Deze commentaren bevatten ook citaten met andere commentaren, ainsi de suite.

Voor mij, toch een relatieve newbie in islamitisch recht (wat heet), is de tekst bij tijd en wijle een amalgaam waarvan ik niet weet wanneer het ene commentaar begint en het andere eindigt. Alhamdulillah is het (meestal) wel duidelijk wanneer EHMS zelf aan het woord is; dat gebeurt overigens nauwelijks. Hij laat de geleerden van korter en langer geleden liever zelf aan het woord; meestal is niet duidelijk wat hij van een bepaald commentaar vindt. Soms geeft hij zijn voorkeur voor een bepaald idee subtiel aan, een andere keer is hij heel stellig in de onderschrijving van een bepaald commentaar. De originele versie van de Kifâya is geschreven in het Arabisch en is afkomstig van drie verschillende manuscripten (geschreven kopieën - zie foto in deze alinea). In de editie van de uitgeverij Al-Bouraq die in mijn bezit is, staat de originele Arabische versie op de linkerpagina’s en de Franstalige versie op de rechterpagina’s (zie foto bovenaan deze weblogbijdrage).

Het onderstaande is geenszins een samenvatting of - Allah betere het - een doorwrochte recensie van de Kifâya. Het zijn mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Kifâya, gelardeerd met persoonlijke ervaringen en opmerkingen. Deze ervaringen en opmerkingen heb ik voor de duidelijkheid gemerkt door de betreffende tekst blauw te kleuren, zoals hier.


⸎


Het eerste deel “Corruption du temps” (p. 50-237) is voor mij onontgonnen gebied en moet ik echt doorploegen; dit deel komt er in deze weblogbijdrage bekaaid van af. Het tweede deel “La Prière, la Zakât, le Jeûne” (p. 239-447) spreekt mij meer aan, doordat het gaat over geloofspraktijken als het gebed, de armenbelasting en het vasten. Nochtans komen er ook in dit tweede deel genoeg thema’s aan de orde die nieuw voor mij zijn. EHMS recapituleert zijn Kifâya in een gedicht (p. 449-457). Bij voorbaat mijn excuses voor de kwaliteit van mijn vertalingen vanuit het Frans naar het Nederlands.

In de presentatie van de Kifâya (p. 17-32) zegt de samensteller/vertaler El Hadji Ravane Mbaye het volgende: “De Kifâya beschrijft de positieve en negatieve aspecten van de geloven en de religieuze praktijken zoals de auteur ze heeft gezien te midden van de Senegalese bevolking”. Ik ben vooral benieuwd in hoeverre de leer van EHMS zich in het dagelijks leven van Senegal manifesteert. Daar zal ik achter komen wanneer ik weer in Senegal ben.

In het resumé van het boek (p. 33-37) staat o.a. het volgende: “De tekst van de Kifâya is bovenal geïnspireerd op de dagelijkse ervaringen van de auteur, hij waakt ervoor namen te noemen, om zo te voorkomen niet in een polemiek terecht te komen.” Ik zal later zien, bij het lezen van de Kifâya, dat dat betekent dat het werk overkomt als een verhandeling over de diverse aspecten van het islamitisch recht zonder dat het met een bepaald land te maken heeft. De Senegalese actualiteit ten tijde van het schrijven van de Kifâya ontbreekt bijna geheel. Jammer, nu wordt het in zijn historische context plaatsen van de Kifâya wel erg moeilijk. Aan de andere kant, dat maakt de Kifâya wèl universeel en moet zo dus moslims uit alle windstreken kunnen aanspreken.


⸎


EERSTE DEEL “Corruption du Temps”

Hoofdstukken I en II (p. 61-91) van de Kifâya gaan respectievelijk over de bronnen van het religieus sectarisme en de verdiensten van de koran.

Hoofdstuk III “Hoe de koran te lezen?” (v.a. p. 93) heeft aan het eind van pagina 93 een mooie overlevering die ik je niet wil onthouden:
“Op een dag bij het betreden van de markt zei Abu Hurayra (één van de Metgezellen van de Profeet): ‘Ik zie jullie straks daar waar de erfenis van Muhammad (vrede zij met hem) wordt verdeeld in de moskee.’ Ze gingen erheen, kwamen snel terug en zeiden: ‘Wij hebben niets verdeeld zien worden in de moskee, alleen mensen die daar de koran lezen.’ ‘Dàt,’ zei hij, ‘is de erfenis achtergelaten door onze Profeet (vrede zij met hem)’.”
(p. 99) Ik heb altijd gedacht dat de pauzes die ik hoor in koranrecitatie iets was zuiver en alleen op basis van de tekens die láter boven de tekst zijn toegevoegd (dan bedoel ik niet de klinkers maar de andere tekens). Volgens een geleerde die gespecialiseerd is in de regels van koranrecitatie en die luistert naar de naam Ahmad Ibn Muhammad Ibn ‘Abd al-Karîm Ibn Muhammad Ibn Ahmad Ibn ‘Abd al-Karîm al-Karîm al-Achmûnî (de Kifâya staat vol met dit soort lange namen!) zijn er pauzes die zijn terug te voeren op Gabriël, die het Woord van Allah aan Muhammad (vrede zij met hem) in een periode van een aantal jaren heeft overgebracht. Weer wat geleerd.
Voor meer informatie over deze tekens, zie deze webpagina van quran2hadith.wordpress.com.

Hoofdstuk IV “De echte en valse marabout” (v.a. p. 109). Hierin waarschuwt EHMS tegen de nep-marabouts die het leven van onschuldige moslims onveilig maken. Ik kan er wel eentje noemen die de Senegalese actualiteit heden ten dage bepaalt (hij werd zelfs op de vingers getikt door leiders uit zijn eigen broederschap) maar ik noem geen namen, want dat is niet in de geest van EHMS. Het gaat de auteur met name om marabouts die zichzelf belangrijker vinden dan onze profeet Muhammad (vrede zij met hem), marabouts die zich belangrijker vinden dan hun Schepper. Astaghfiroellah.

Hoofdstuk V “Hoe te preken?” (v.a. p. 125). EHMS gaat hierin flink off-topic en grijpt nog even terug op hoofdstuk IV en de nep-marabouts. Op p. 131 wordt een koranvers aangehaald (soera De Donder 13:7) waarin Allah onder andere zegt “Elk volk heeft een Gids”. Dan zegt EHMS, of een commentator, het volgende: “Maar in onze tijd komt het voor dat hij die nooit volgeling is geweest zich opwerpt als marabout - een functie die van vader op zoon overgaat, notabene.” Dat zou ‘zo maar’ over Senegal kunnen gaan.

Hoofdstuk VI “Betreft het aantal wettelijk toegestane echtgenotes” (v.a. p. 135). Nooit geweten dat er verschillende interpretaties bestaan over het koranvers 4:3 dat het, letterlijk vertaald, heeft over “twee en drie en vier vrouwen”. De consensus is dat het gaat over “twee of drie of vier vrouwen”. Vier maximaal dus. Weer wat geleerd. Geniet, maar trouw met mate.

Hoofdstuk VII “De valkuilen van het soefisme” (v.a. p. 147). Hé, denk ik, dat wordt interessant. EHMS is zelf een soefi. Meester Abû Abd’ Allâh Ibn ‘Abbâd wordt aangehaald die adviseert niet in de leer te gaan bij iemand die arrogant/pretentieus is, bij iemand die zaken toevoegt aan de religie of bij iemand die een conformist is. Dat laatste is nog een dingetje. Maar eerst dit: de genoemde Meester zegt dat arrogantie een natuurlijke eigenschap is die voorkòmt dat je onderricht goed wordt opgenomen, toevoeging aan de religie leidt tot groot ongeluk en conformisme voorkomt het bereiken van je doelen.

Zarrûq (mysticus en jurist, hij wordt wel vaker geciteerd in de Kifâya) ziet conformisme als het aannemen van een leer die door geen enkele autoriteit wordt onderschreven, je haalt er geen ‘voordeel’ uit en de ‘inhoud’ heeft geen enkele betekenis. Bij het aannemen van een these (Zarrûq bedoelt denk ik ‘bij het aannemen van de leerstellingen van een rechtsschool’) zul je je goed moeten inlichten over de vroomheid en de kennis van de stichter. Zarrûq: “Aldus is de houding van volgelingen ten opzichte van leiders van rechtsscholen. De verplichting zich aan hen te conformeren is zuiver metaforisch.” Okeeh… (De onderstreping is van mijn hand; A.L.)

Hoofdstuk VIII “Hardop zikr bij de vrouwen” (v.a. p. 163). Nooit geweten dat door geleerden de stèm van een vrouw wordt gezien als haar intieme zone (awrah). Weer wat geleerd. In Senegal zijn er genoeg vrouwen die hardop zikr verrichten en zelfs koran-exegese geven, bijvoorbeeld op de radio (Soxna FM, “Vrouw FM”).

Hoofdstuk IX “De buiging op de handen van marabouts” (v.a. p. 169). Buigen op de handen van een marabout, dat ken ik van Senegal. Er zijn zelf mensen van dezelfde sekte (Baye Fall) waarvan de gelovigen elkaar begroeten met zo’n buiging die dan meerdere malen wordt herhaald. Ik vind dat maar niks. EHMS ook, hij haalt daarbij koranvers 41:37 aan. Nou, dan zijn we het daar in ieder geval over eens.

Hoofdstuk X “Hadiyya (geschenk voor een marabout) toegestaan en verboden” (v.a. p. 179). “Er is een ziekte,” aldus EHMS, “waartegen geen therapie is opgewassen: hij die goederen van anderen verslindt in naam van de religie. Dat is het summum van ongeluk.” De eerste alinea van p. 191 laat het standpunt zien van cheikh Ahmad Tijani:
“Op een dag werd onze meester, Imam en intermediair bij onze Heer, Ahmad Ibn Muhammad at-Tijani, ondervraagt over de reden waarom hij geen giften (hadiyya) accepteert terwijl de Profeet (vrede zij met hem) dat wel deed. Hij antwoordde: ‘Dat wat gisteren een gift was, is vandaag een steekpenning geworden’[…]”
Hoofdstuk XI “Bescherming van je geloof” (v.a. p. 197). Een hoofdstuk werkelijk vòl met korancitaten, hadiths en heel veel commentaar. De essentie zit mijns inziens in de derde alinea van p. 197 waarin Sahl (een Metgezel van de Profeet) zegt: “De ware heiligen leven, met elke pas en beweging [die ze doen], met het besef dat het slecht met hun leven zal aflopen. Het zijn zij die Allah (Heilig en Verheven) beschrijft wanneer Hij zegt: ‘Hun harten trillen van vrees’.” (23:60, 8:2) Taqwa ten voeten uit! “Alleen de gelovige vreest Hem, alleen de hypocriet voelt zich veilig bij Hem.” (p. 211)
(p. 215) “Als zikr en devotie worden verricht uit liefde voor Allah (Heilig en Verheven) in de hoop op die manier je wensen vervuld te zien en je gebeden geaccepteerd, dan is dat toegestaan en niet ernstig, vooropgesteld dat je er van overtuigd bent dat Allah (Heilig en Verheven) handelt in complete vrijheid en niet als gevolg van de zikr. Hij handelt op het moment vàn de zikr, niet dóor de zikr. Noch de zikr, noch de devotie, noch hun waardigheid is van enige invloed.” (cheikh Ahmad Tijani in zijn standaardwerk “Jawâhir al-Ma’âni”)
Persoonlijk kan ik meer met die benadering ‘uit liefde’ dan ‘uit vrees’. Ik heet ook niet voor niets “Abdulwadûd”, "de dienaar van de Liefderijke".

Hoofdstuk XII “Waarmee je te verzorgen?” (v.a. p. 227) . Het is toegestaan om met koranverzen te genezen! Weer wat geleerd. Je kunt bijvoorbeeld genezen door het reciteren van de Fatiha. Op pagina 235 staat:
“In een authentieke hadith van Abû Sa’îd (at-Tirmidi) wordt gezegd: ‘De Fâtiha is een remedie voor alle ziekte’. Volgens Abû Dâwud heeft Ibn Ma’sûd verklaard: ‘Op een dag waren Hassan en Hussein ziek geworden. De Engel Gabriël kwam naar beneden om aan de Profeet (vrede zij met hem) de raad te geven veertig keer de Fatiha te reciteren boven een kom met water, waarmee hij vervolgens hun handen, voeten en hoofden moest wassen.”


⸎


TWEEDE DEEL “La Prière, la Zakât, le Jeûne”

Hoofdstuk I “Een algemeen advies” (v.a. p. 241). De verschillende commentaren zijn door mij niet altijd van elkaar te onderscheiden; dat geldt eigenlijk voor alle hoofdstukken van de Kifâya, maar zeker voor dit hoofdstuk. Nochtans is het een leerzaam hoofdstuk. Neem nu het deel over antropomorfisme.

Wanneer in de koran zaken staan als “het aangezicht van Allah” neem ik dat niet letterlijk, maar bij wijze van spreken. Immers, “Hij is niets of niemand in enig opzicht gelijk” zo heb ik geleerd al kort na mijn bekering. Voor mij is dat een vanzelfsprekendheid. Dat geldt blijkbaar niet voor iedereen. Want in dit hoofdstuk van de Kifâya wordt tegen antropomorfisme gewaarschuwd:
(p. 243-245) “Denk eraan dat er in de koran en hadith dingen staan die op antropomorfisme lijken, zoals ‘De Barmhartige is gezeten op de Troon’ (20:5). Rond die kwestie zijn er drie gezichtspunten: 1) […] ‘Op de troon’ is een bekend gegeven in Allah’s Woord maar de vorm ervan onbekend omdat het onmogelijk is zich een voorstelling te maken van de Goddelijke essentie, […] 2) mensen die het nemen zoals het lijkt te zijn trappen in de val van de carnatie, […] 3) mensen die zulke verzen zien als allegorisch, tot het punt dat ze het van de uiterlijke betekenis ontdoen.”
(p. 261) Daar is Zarrûq weer, één van de geleerden die het meest door EHMS worden geciteerd. Hieronder probeer ik de complete tweede alinea van deze pagina te vertalen (nogmaals: mijn excuses, correct vertalen vanuit het Frans naar het Nederlands is niet mijn sterkste punt):
“Hij [Zarrûq] zegt op de zesennegentigste regel [van de Qawâ’id]: ‘De perfectie van aanbidding (devotion) ligt in het bewaken en respecteren ervan door het verrichten van de uiterlijke en innerlijke vormen zonder onnodige overdrijving (excès) en veronachtzaming. Hij die veronachtzaamt, kan de aanbidding verpesten, en de overdrijver (extrémiste) kan iets veranderen (innover) met name als hij er van overtuigd is dat hij door iets toe te voegen [aan de aanbidding] dichter bij Allah komt.”
Ik ben benieuwd hoe in dit licht de Salaatoul Fatih, en in het verlengde ervan de Lazim (wird tijaniyya) en de Wazifa worden beschouwd. Er zijn namelijk mensen die deze zaken als toevoegingen zien.

(p. 271) Cheikh Tijani haalde in een brief aan het volk van Châm (het tegenwoordige Syrië) een hadith aan waarin veel aandacht is voor de pauzes die ook hun plaats hebben in het gebed (salaat). De uitleg van de cheikh:
“Vermijd dus de malheur waarvan velen het slachtoffer zijn die onverschillig zijn ten opzichte van het correct verrichten van het gebed, een onverschilligheid die [leidt tot] het buigen [tot op de grond] als een haan die scharrelt.” 
Bij het lezen hiervan moet ik denken aan hoe in de moskee van mijn woonplaats Zutphen de tarawîh wordt verricht: hoofd-schouders-knie-en-teen, alsof het een gymnastische oefening is met slechts één of twee aya's per rakaat!

Hoofdstuk II (v.a. p. 273) is gewijd aan de vraag of het wel of niet is toegestaan iets te dragen (bijvoorbeeld je kind) tijdens het verrichten van het gebed.

Hoofdstuk III “Wijze van bidden” (v.a. p. 277). In Senegal bidt de meerderheid met zijn armen langszij (irsâl) en niet met de handen op de borst (qabd). Daar ik altijd met de handen op de borst bid, dacht men in Senegal dat ik een strenge moslim was die behoorde tot de sji’tische importbeweging Ibadou Rahmane. Ik heb mij altijd afgevraagd waar irsâl vandaan komt. In dit hoofdstuk laat EHMS vele geleerden aan het woord die zelfs onderling van mening verschillen over wat Imam Mâlik vond van de irsâl; zelfs binnen één alinea kan het alle kanten op gaan. Soit, irsâl of qabd? Eenheid in verscheidenheid, zeg ik altijd maar. Als we maar verder alle bewegingen niet veranderen en de imam precies volgen. Anders krijgen we een domino-effect in de moskee. Zie je het al voor je?

Hoofdstuk IV “De basmala in de salaat” (v.a. p. 291). Het hardop zeggen van de basmala (Bismillahi-r-Rahmani-r-Rahiem, In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle) blijkt óók een issue te zijn. Da’s nieuw voor mij. Sommige geleerden, blijkt uit dit hoofdstuk, zijn van mening dat de basmala géén deel uitmaakt van de Fatiha. In mijn tijd als verse moslim in 1996 heb ik juist geleerd dat de basmala officieel het eerste vers is van de Fatiha (en niet van de andere soera’s, al begin je deze soera’s wel met de basmala als ‘introductie’ - soera At-Tawbah daargelaten).

In dit hoofdstuk legt EHMS uit dat Imam Mâlik tijdens het gebed de basmala nooit uitsprak “noch zachtjes, noch hardop”. Echter, cheikh Tijani, zijnde van de malikitische school, heeft Imam Mâlik hierin nooit gevolgd. Hij, zo legt EHMS uit, deed het eerder zoals de aanhangers van Imam Shafi (hardop in de gebeden die hardop gebeden worden, te weten het ochtend- avond- en nachtgebed).

In dit hoofdstuk kom ik veel te weten over EHMS en zijn standpunten, daar hij hier (eindelijk zou ik zeggen) zijn eigen mening ventileert; hij komt ècht aan de oppervlakte hier! EHMS zegt dat de verschillen over de basmala ons (de moslims) niet mag verdelen:
(p. 295) “Ik heb nu zo lang [zelf] gepraat alleen om te laten weten dat onze cheikh [Tijani] niet de enige is die binnen de Malikitische rechtsschool de basmala reciteert en er geen voorschrift van heeft gemaakt in zijn Mohammedaanse Orde (Ordre Muhammadiyya). In feite hebben we van hem niets ontvangen dat het tot een voorwaarde maakt.”
Maar dan, om de lieve vrede te bewaren, laat EHMS weten dat het beter is deze kwestie uit de weg te gaan, omdat we nooit zeker weten hoe het nu precies zit.

(p. 299) Om zijn punt te maken laat EHMS de geleerde al-Ubbi aan het woord die heeft gezegd:
“Het beste is af te zien van de behandeling van deze [basmala] kwestie. Want, zoals men zegt, als behoud [van de basmala] de waarheid is, haalt hij die het verwerpt een vers [uit de koran] weg; en als verwerping [van de basmala] de waarheid is, voegt bij die het behoudt een vers toe [aan de koran]. Het verwerpen of toevoegen van een vers aan het Woord van Allah is een daad van ongeloof.”
Hoofdstuk V “De positie van de armen gedurende de invocatie" (v.a. p. 315). “Invocation” vertaal ik normaal met “zikr” (het gedenken van Allah). De originele Arabische titel van dit hoofdstuk heeft het over “salaat” (het verplichte gebed). Al lezende kom ik erachter dat het hier om doa’s gaat (smeekgebeden). Verwarring alom dus.

Het smeekgebed. Zelf verricht ik het altijd met de handpalmen naar boven gericht en over elkaar heen, als een kommetje. Ná het smeekgebed wrijf ik dan met mijn handpalmen over mijn gezicht. Zo heb ik het nu eenmaal geleerd. Anderen heffen juist de handen ten hemel. Zolang de intentie maar oké is, zeg ik altijd maar. Geleerden hebben zich uiteraard ook over deze kwestie gebogen en verschillen ook hier weer van mening. Sommigen beschouwen dat wrijven zelfs als bi’da (een toevoeging aan de geloofspraktijk, dùs verboden). EHMS geeft hier wel zekerheid door een hadith te citeren (At-Tirmidi) waarin staat:
(p. 319) “bij het aanspreken van Allah [tijdens een smeekgebed] liet de Profeet (vrede zij met hem) de handen nooit zakken vóór hij ermee over zijn gezicht had gewreven”.
Hoofdstuk VI “De gezamenlijke verrichting van de salaat” (v.a. p. 323). EHMS laat direct cheikh Tijani aan het woord:
“Het is verplicht de vijf gebeden gezamenlijk te verrichten, als de imam goed let op de correcte uitvoering van de onderdelen zoals de hoofdbuiging en het ter aarde werpen […]. Doet hij dit niet dan is het verboden hem te volgen. En de pauzes moeten genoeg zijn om de verheerlijking van Allah drie keer langzaam of zes keer snel uit te spreken.”
Het boek “Kom tot het gebed” van Abdulwahid van Bommel heeft mij geleerd hoe ik de salaat moet verrichten. Met inbegrip van o.a. het formuleren van de intentie voorafgaande aan de salaat. Tot het lezen van dit hoofdstuk van de Kifâyat heb ik nooit geweten dat je wanneer je achter een imam staat je de intentie moet formuleren dat je hèm volgt:
(p. 325) “Iemand die een imam vindt [met een groep gelovigen die hem volgt] of iemand die alleen bidt en vervolgens de intentie formuleert hem te volgen, wordt aldus een ma’mûm. Zijn intentie te volgen wordt op deze manier effectief. Indien hij de intentie formuleert alleen te bidden en niet de imam te volgen, dan beschouwt men hem als alleenbiddend (munfarid) en is zijn gebed [wel] geldig.”
(p. 329) Kort na mijn bekering had ik een Marokkaanse collega die niet achter de imam van een bepaalde moskee wilde bidden omdat hij dacht te weten dat deze iets op zijn kerfstok had. Een issue waarover EHMS de geleerde Zarrûq aan het woord laat: “Een man die weet dat zijn imam iets heeft uitgehaald, mag hem volgen in het gebed en hem nadoen wanneer hij buigt of weer gaat staan. Maar, hij handelt alsof hij alleen bidt en zorgt ervoor korte soera’s te reciteren om te voorkomen dat de imam hem niet inhaalt. Zo is het gebed geldig en krijgt hij dezelfde beloning als gedaan bij een gezamenlijk gebed […]” Had ik dat geweten, dan had ik deze collega deze woorden kunnen doorgeven.

Hoofdstuk VII “De uitspraak van de [letters] ‘dâd’ en de ‘jîm’” (v.a. p. 339) Ook in dit hoofdstuk laat EHMS zich weer duidelijk zien. Direct in de eerste alinea laat hij zich uit over een discussie die er gaande is binnen de Senegalese maatschappij:
“U moet ook weten dat er een discussie gaande is tussen sommige van onze landgenoten van moorse origine, die heeft te maken met de uitspraak van enkele [letters], te weten de ‘dâd’ en de ‘jîm’. [Deze discussie] heeft sommigen ertoe aangezet te weigeren te bidden achter één van de anderen. […]”
EHMS zegt dat de moslims van deze tijd vertrouwen moeten hebben in de ander om zo zich de kwaliteiten van Allah eigen te maken ('incarner' staat er letterlijk in de Franse tekst). Ik ga er vanuit dat dat “incarner” overdrachtelijk bedoeld is.

Onderaan p. 339 staat een hadith die, als er issues zijn over de uitspraak van het Woord van Allah, prima kan worden toegepast: “De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd; ‘Wanneer iemand niet goed reciteert of fouten maakt of verkeerd uitspreekt of als het geen Arabier is, zal de Engel de recitatie vastleggen op de manier waarop deze is geopenbaard.” Helaas wordt deze hadith als zwak (daïf) beschouwd.

Zo wordt dit een hoofdstuk waarin EHMS oplossingen probeert aan te dragen om iets te doen tegen interne strubbelingen die de moslimgemeenschap van zijn land teisteren, strubbelingen die EHMS beschouwt als een ziekte. Meerdere malen spreekt hij de lezer direct aan:
(p. 341) “De roerige tijden (fitna) waarin wij ons nu bevinden, wij en onze broeders, [die roerige tijden] die ervoor zorgen dat wij elkaar haten, elkaar verachten, die ons leiden naar chauvinisme en strijd (l’esprit partisan) zijn relatief gezien schadelijker voor onze religie dan in het geval wij ziek zijn en geen genezing hebben kunnen vinden.” Dat is een mooi bruggetje naar dokters/genezers, want direct volgt deze tekst, nog steeds van de hand van EHMS. Wàt een redenaar is die man, mash’Allah:
“De Heiligen (Walî) hebben voor ons een Weg gemaakt die, voor hen die zich aansluiten, een efficiënte remedie is tegen zulke en andere ziektes. Maar wanneer de situatie lang geduurd heeft en wij niet de voorschriften (recepten) van deze Weg hebben gevolgd zoals het hoort, keren deze ziektes terug en in heviger mate: de voorschriften van de dokters medicijnen in te nemen en het lichaam te verzorgen zijn niet opgevolgd. In deze hadith zegt de eerste en de grootste der Dokters: 'Haat elkander niet; wees niet kwaad op elkaar en maak geen ruzie; wees dienaren van Allah; wees broeders!'”
Vervolgens laat EHMS geleerden aan het woord. Op p. 343 richt hij zich weer direct tot de lezer. Het zit hem hoog die fitna, die troebelen in de Senegalese maatschappij:
“Heer! Sta ons toe onze impulsen te beheersen [zodat] deze zich niet tegen ons keren en, Heer, bescherm ons tegen [deze] dodelijke troebelen.”
Hoofdstuk VIII “Het vrijdagmiddaggebed” (v.a. p. 365) Wat mij in Senegal opvalt is dat het vrijdagmiddaggebed alleen in bepaalde grote moskeeën wordt gehouden. Bij lezing van de Kifâya (p. 369) kom ik erachter dat dat altijd zo was: het bestaan van kleine buurtmoskeeën naast grote moskeeën. (In een land als Nederland is dat natuurlijk anders, zie maar eens - vooral in een tijdgeest als de huidige - óok nog kleine buurtmoskeeën te bouwen. Dan zijn de Hollandse rapen gaar.) Die grote moskeeën zijn er dan óók voor het vrijdagmiddaggebed. Overigens mogen dorpsbewoners die geen grote moskee hebben ook de marktplaats gebruiken als plek voor het vrijdagmiddaggebed. De geleerden zijn hierover wel verdeeld.

In 1997 heb ik voorafgaande aan mijn huwelijk gelogeerd bij oom Matar Niang. Elke ochtend vroeg gingen wij samen naar de moskee, een hele belevenis. Zeker voor een relatief vers bekeerde moslim die tot dan toe alleen in Amstelveen en Amsterdam gebedsruimtes had bezocht (voornamelijk in oude scholen en buurtcentra). Zeker het aanwezig zijn bij het reciteren van de wazifa, ná het ochtendgebed, maakte op mij grote indruk.



Dit was ook in de periode waarin Matar Niang bij mij de puntjes op de i kon zetten daar waar het bidden (in de moskee) betreft. Een voorbeeld: na binnenkomst in de moskee, nog vóór je gaat zitten en/of de mensen groet die al in de moskee zijn, bid je eerst twee rakaat ‘voor de moskee’. Dat leek me destijds zo onbeleefd: binnenkomen en niet groeten. Maar goed, zo gezegd, zo gedaan. In dit hoofdstuk kom ik op p. 379 een commentaar tegen dat hier prima op aansluit: “Hij die een moskee binnenkomt waar mensen zijn, behoort hen niet te groeten vóór hij een gebed als begroeting van de moskee heeft verricht. Echter, als hij bang is voor rancunes wanneer hij zo handelt, groet hij hen vóór hij welk gebed dan ook doet.”

(p. 381) Er zijn periodes waarin je zeker geen gebed (salaat of nafl) mag verrichten, bijvoorbeeld kort voor het avondgebed (maghrieb) en kort na het opgaan van de zon. Kom je in zulke periodes een moskee binnen dan mag je het gebed van begroeting zeker verrichten. EHMS haalt een geleerde aan die dit aldus verwoord:
“Wij staan niet toe dat het gebed van begroeting op tijden dat het verboden is een vrijwillig gebed te doen, verboden wordt. Het is juist aangeraden [het te doen] op toegestane èn verboden tijden, met dien verstande dat je het op toegestane tijden verricht als een gebed, terwijl het op verboden tijden geldt als zikr.”
Hoofdstuk IX “Armenbelasting (zakaat) op granen” (v.a. p. 383) Dit hoofdstuk zit vol met hele verhandelingen over welke producten wel of niet belastbaar zijn, en zo ja, belastbaar in welke mate. Ik heb kennis genomen van de inhoud maar het staat zó ver van mij af dat ik er moeite mee heb het te begrijpen. Wat ik wel doorheb is dat de belastbaarheid van pinda’s destijds (in het Senegal van meer dan honderd jaar geleden, toen nog een Franse kolonie) een issue was. Ook zakaat-kwesties zorgen voor troebelen in Senegal. Uiteraard probeert EHMS dan de partijen tot elkaar te brengen; weer komt zijn eigen overtuiging en zijn wil om te bemiddelen duidelijk naar voren. Op p. 419 staat de volgende opmerking van zijn hand:
“Je moet weten dat er, strikt genomen, geen verschil van mening is tussen de wetscholen daar waar het principe [van zakaat] betreft, want zoals men zegt in “Rihla al-‘ayyachiyya”, zij behoren tot één en dezelfde religie, afkomstig van die Ene Unieke God, via één en dezelfde Boodschapper. De mannen bestaan uit één geheel (“één man”) gezien hun wettelijke verantwoordelijkheden. Geen van hen heeft verantwoordelijkheden die niet door anderen worden gedragen. […]”
Hoofdstuk X “De aankondiging van het begin van de ramadan” (v.a. p. 421) Kijk, da’s pas een hoofdstuk dat prima kan aansluiten bij het Senegal van nú. Er is in Senegal altijd gedoe rondom het precieze begin van islamitische maanden en dan met name die van de vastenmaand Ramadan. Senegal heeft verschillende organisaties die zich bezig houden met de waarneming van de maan. Zelfs wanneer verschillende moslims onafhankelijk van elkaar zeggen de maan te hebben gezien, denk dan maar niet dat het hele Senegalese volk, daar waar het de moslims betreft uiteraard, ook daadwerkelijk op dezelfde dag begint met vasten.

Dit is een prima klus voor EHMS! Weer laat hij duidelijk van zich horen. Naar eer en geweten probeer ik de eerste alinea van dit hoofdstuk en een deel van de volgende pagina voor jou te vertalen (vanuit het Frans, het Arabisch ligt mij wat minder):
(p. 421) “Verhandeling over de controverse in Châm (het huidige Syrië) of het is toegestaan de telegraaf te gebruiken om [het begin van] de Ramadan aan te kondigen. Het vasten in de Ramadan maand is één van de zuilen van de Islam. Als je de regels en voorwaarden wilt kennen die hebben te maken met de eerste verschijning van de [wassende maan] (‘croissant lunaire’ in het Frans), raadpleeg dan de werken van de fiqh (islamitisch recht). Het is overigens paradoxaal dat zij die zich beroemen het (fiqh) te kennen, het gebruik van de telegraaf verwerpen. Voor mij is het (de telegraaf) zekerder dan vuur of een kanonschot. Merkwaardig is de houding van hen die zeggen kennis te hebben [van de verschijning van de maan] en deze gebeurtenis, die reeds bekend is en bevestigd door communicatie, ontkennen. Ik verbaas me erover dat mensen die zeggen kennis te hebben deze ontkennen nádat de gebeurtenis zeker en bevestigd is. En het bewijs van de betrouwbaarheid van dat communicatiemiddel is [nota bene] verkregen bij machthebbers (sultans) en de bevolking van moslimlanden, het is hetzelfde als mond-tot-mond. […] Want het staat vast in de Malikitische school dat de aankondiging van het vasten geldt voor het hele land, via het communicatiemiddel dat voorhanden is.” (onderstreping door mij; A.L.) Jammer dat niet iedere moslim in Senegal, en in de rest van de wereld trouwens, er ook zo over denkt.
(p. 423) “Ik [El Hadji Malick Sy] zeg: Als men zegt dat de telegraaflijn is uitgevonden door astrologen, dan zeggen wij resoluut dat het er om gaat of de telegrafìst een moslim is die goed bekend staat, en niet het apparaat of zijn maker. […] Overigens als deze religie daar was gebleven waar het begon ten tijde van de Profeet (vrede zij met hem), zonder dat iemand maar ook iets deed, zou zij (de telegraaf) niet bij ons zijn aangekomen. […] Het is gebruikelijk in de landen van de Maghreb, dat wil zeggen in de buitengebieden, dat de verschijning van de [wassende maan] wordt aangekondigd met een vuur dat wordt aangestoken op bergtoppen, de ene stad steekt het aan om zo de andere te informeren, of door kanonschoten. Aldus bezien, kun je [toch gewoon] het verschijnen van de wassende maan aankondigen middels de telegraaf die [juist] is ontworpen om boodschappen door te geven? Het is in ieder geval helder dat als de telegraaf wordt beheerd door een betrouwbare waardige man, het een stuk effectiever is dan het aansteken van een vuur.” En dan een paar pagina’s verder:
(p. 429) De Malikitische rechtsgeleerde al-Lahmî zei:
“Als mensen een machthebber hebben die het probleem van de waarneming van de wassende maan verwaarloost, zullen zij zich er zelf mee bezig moeten houden. Ze moeten vasten [aan het begin van de ramadan] of het vasten verbreken [aan het eind van de ramadan] en hen die onder hun verantwoordelijkheid vallen, daarin meenemen, wanneer zij het waarnemen of wanneer zij zijn geïnformeerd over de verschijning ervan door een betrouwbaar iemand.”

Hoofdstuk XI “Les qualifications légales et l’évolution” (v.a. p. 439) De Franstalige titel van dit hoofdstuk heb ik om misverstanden te voorkomen onvertaald gelaten. “Evolution” heeft in dit verband niets te maken met Darwin maar met voortschrijdend inzicht, het besef dat zaken in de loop van de tijd in een ander licht kunnen worden bezien.

In dit laatste hoofdstuk van deel twee van de Kifâya worden twee issues besproken: verdienen aan koranles en de noodzakelijkheid de antwoorden op sommige theologische vragen aan te passen in het kader van de “evolution”.

Voor wat betreft het eerste punt zegt Imam Mâlik: absoluut toegestaan, Abû Hanîfa: absoluut verboden en sommige geleerden staan het toe wanneer het ‘t karakter heeft van een beloning en niet van een betaling. Wederom grote verdeeldheid dus.

(p. 441) De uitleg over het tweede punt begint plots in dezelfde alinea waar nog wordt uitgelegd over verdienen aan koranles (en aan andere religieuze zaken). Het lijkt alsof er iets mist (een fout van de kopiïst destijds?). Hoe dan ook, de uitleg luidt als volgt:
“Ze (geleerden?) ondersteunen, dat in de huidige tijd de antwoorden op sommige vragen gerelativeerd dienen te worden gezien de ontwikkeling van de tijd en de vrees voor het verlies van kennis en de levenswijze (ad-dîn, in het Frans vertaald met “religion”). Tussen deze vragen [staan de volgende kwesties]: de frequente bezoeken van geleerden aan sultans, de bezoeken die zij (de geleerden of de sultans?) brengen aan de dorpen om in hun levensonderhoud te voorzien, het idee van salaris voor het geven van koranles of voor het oproepen tot het gebed of voor het voorgaan in gebed, de praktijk van coïtus interruptus bij [een echtgenote] zonder haar toestemming en het feit van het groeten van wijndrinkers en andere vergelijkbare zaken.” Dat voorlaatste punt zag ik niet aankomen; is het een manier van geboortebeperking door de man zonder toestemming van de echtgenote? Bijzonder, in ieder geval.
 
⸎


Dit waren mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Kifâya. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.

donderdag 6 oktober 2016

Quality Time




Waar kom jij vandaan? *facepalm*

- Oh, jij heet Abdul zie ik.
- Klopt. Dat is mijn naam.
- Waar kom jij vandaan?
- Nederland.
- Ja, oké. Ik bedoel, waar komen je ouders vandaan?
- Mijn vader komt uit Middelburg, mijn moeder uit de stad Groningen. Mijn voorouders van vaders kant komen uit Meliskerke, de voorouders van mijn moeder komen uit Edam en Amsterdam.
- ...
- Dus.

Net uit

Zware kost.
Maar smákelijk.
En bui-ten-ge-woon informatief.
De eerste veertig pagina's staan vol moeilijke taal waarbij in sommige gevallen het door mij geraadpleegde online woordenboek Frans zelfs geen uitsluitsel geeft.

#justread "Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action, Tome premier, Vie et Oeuvre"

Bij het lezen van die eerste veertig pagina's vraag ik mij regelmatig af. "Waar ben ik aan begonnen? Is dit wel de biografie die ik voor ogen had bij de aanschaf van dit werk via FNAC.com (de Franse Bol.com)?" Antwoord: nee. Met het lezen van dit werk maak ik een duik in de geschiedenis van Senegal als Franse kolonie, voor een biografie komt het leven van El Hadji Malick Sy er bekaaid vanaf in dit werk. Wel wordt uitgebreid ingegaan op zijn werk als één van de grote soefi-meesters die Senegal gekend heeft. Een beetje vie en heel veel oeuvre, dus.

Het boek beslaat de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste twee decennia van de twintigste eeuw; in die periode hebben moslimleiders in Senegal weinig bewegingsvrijheid, ze worden op de huid gezeten door controleurs van de Franse koloniale overheid - de bevindingen van deze controleurs worden bijgehouden in bondige rapportages waarvan enkelen als bijlagen bij "Vie et Oeuvre" zijn toegevoegd. Het leven en werk van El Hadji Malick Sy komen aan de orde in deel 1 (blz. 41-228) en deel 4 (blz. 481-654). De tussenliggende delen zijn gewijd aan de geschiedenis van Senegal en het ontstaan van de voor dit land zo kenmerkende moslimbroederschappen. Voor iemand als ik, een liefhebber van Senegal met een voorliefde voor de tijani broederschap, werkelijk een openbáring:

Veel brokjes kennis over dit land en deze broederschap vallen op hun plek. Fijn om nu ook de achtergronden te kennen van bijvoorbeeld de zikr (het gedenken van Allah) dat ik elke ochtend verricht met behulp van mijn tijani gebedsketting. Tot twee keer toe wordt uitgelegd dat zikr de harten kalmeert (zoals in de koran staat). Vaak genoeg gaan tijdens het verrichten van zikr mijn gedachten overal en nergens naar toe; dus, een kàlm hart? Mwâh, ik doe mijn best.

Nu volgen nog "Kifâyat ar-Râghibîn, Ce qu'il faut aux bons croyants" en "Ifhâm al-Munkir al-Jânî, Réduction au silence du dénégateur", te weten de Tome deuxième en Tome troisième van "Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action". Het zijn twee werken van de hand van El Hadji Malick Sy, in het originele Arabisch op de linkerpagina's en in een Franse vertaling op de rechterpagina's. De Kifâyat gaat over islamitisch recht en de Ifhâm gaat over het soefisme in het algemeen en de tijaniyya in het bijzonder. Zware kost? Soit, je les consommerai avec modération: dan komt het wel goed. Incha Allah ;-)

vrijdag 30 september 2016

Leesvoer

Eergisteren kreeg ik per gewone post een gesigneerd exemplaar van "De kinderkolonie" (door Wil Schackmann), een boek over de wezenkolonie te Veenhuizen. Een paar uur later kwam per koerier nog méér leesvoer binnen, deze keer van een iets andere orde: "Le grant savant El Hadji Malick Sy - Pensee et Action". Deel 1 van dit werk "Vie et oeuvre" verhaalt over het leven en werk van El Hadji Malick Sy, de oprichter van de Senegalese broederschap der tijani's met als centrum de stad Tivaouane. Delen 2 en 3 zijn werken van deze El Hadji Malick Sy, in de originele Arabische taal en in het Frans.

Vandaag heb ik "De kinderkolonie" uit en kan ik eindelijk beginnen met het mij verdiepen in het leven en werk van Mame Maodo (opa Maodo) zoals El Hadji Malick Sy ook wel door tijani's wordt genoemd. Het wordt een hele klus en ik zal regelmatig een online Frans woordenboek nodig hebben (nee, geen Google Translate). Het ìs even een overgang: van Veenhuizen naar Tivaouane. Maar hé, ik heb er zin in. Jammie!

donderdag 11 augustus 2016

Ramadan 2015 in livestreams (flashback)

Eind mei vorig jaar: de app Periscope komt uit voor Android. Een paar weken later begint de ramadan. Nog wat later krijgt mijn mobiel een systeem-update en ben ik niet alleen in staat met mijn mobiel screenshots te maken maar ook schermactiviteiten vast te leggen als video. De vastenmaand is dan al bezig en ik krijg een idee: ik ga ramadan-gerelateerde Periscope livestreams opnemen, zo blijven ze bewaard. In eerste instantie deel ik de video’s op YouTube. Ontevreden met het resultaat (het lijken allemaal losse stukjes en níet één geheel) verwijder ik de video’s.

Vorige week: ik kom de genoemde verzameling Periscope livestreams tegen op mijn PC. Ik heb ze nog! Nu moet ik er wat mee doen ook, denk ik. Ik laad de verzameling als één geheel op Archive.org. Dat heb ik niet 1-2-3 voor elkaar: het gaat hier om ruim 52GB en het kost zo’n 4 etmaal om alles te uploaden. Nu alles in één playlist staat en ik de video’s na lange tijd weer heb bekeken, zie ik in wat voor een mooie verzameling ik heb en wat voor een divers beeld het geeft van de ramadan (eenheid in verscheidenheid). De volgorde van de playlist is de volgorde waarin ik de (recorded) livestreams heb opgenomen: niet helemaal chronologisch maar dat mag de pret niet drukken.

Het gaat om 124 livestreams waarin echt alle aspecten van de vastenmaand naar voren komen, uiteraard krijgt de koran de meeste aandacht, de ramadan is immers de maand waarin het begin van de openbaring van de koran herdacht wordt tijdens de Waardevolle Nacht (Leylatoelqadr).

Stream 001 laat een overdaad aan eten en drinken zien, zonder enige religieuze context. Stream 124 toont je een zicht op een rivier terwijl de scoper in kwestie zachtjes uit de koran reciteert, je hoort het water kabbelen en uit de verte klinkt lawaai vanaf voorbijvarende boten. Tussen deze twee uitersten vind je 122 livestreams met verrassende, amusante, serieuze en schokkende beelden: (o.a.) mensen die genieten van de iftar, koranrecitatie op diverse locaties, Al-Qaida strijders in Jemen, interreligieuze bijeenkomsten, keukentaferelen, biddende gelovigen, eid-ul-fitr (suikerfeest), een oustaz die iemand bezoekt die geen armen en benen heeft en een boeiende lezing over de Dag des Oordeels. Neem een kijkje en zap gerust door deze bonte verzameling streams gewijd aan de ramadan - al is het nu wèl mosterd na de iftar. Bismillah:

archive.org/details/Ramadan_Shawwal_2015

kies voor beeldvullend om alles goed te kunnen bekijken