* * * UITGELICHT : Powerpoint presentatie "De 99 Schone Namen van Allah" * * *

zaterdag 15 oktober 2016

Weer wat geleerd (1)

#justread “Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action, Tome deuxième, Kifâyat ar-Raghîbîn, Ce qu’il faut aux bons croyants”

Cheikh Ahmad Tijani
El Hadji Malick Sy (kortweg: EHMS) is een soefi en een uitgesproken aanhanger van Mâlik ibn Anas, waarnaar de Malikitische rechtsschool is vernoemd (één van de vier grote rechtsscholen binnen de soennitische islam). Hij is de stichter van een Senegalese tijaniyya leerschool met als hoofdstad Tivaouane, Senegal. Cheikh Ahmad Tijani is zijn Meester.

El Hadji Malick Sy
In “Kifâyat ar-Raghibîn” ("Wat goede gelovigen moeten weten" is mijn vrije vertaling), kortweg: de Kifâya, behandelt EHMS in twee delen een keur aan vele thema’s. Zijn eigen mening komt nauwelijks aan bod (wanneer dat wel gebeurt is dat een echte uitzondering). De hoofdstukken zijn ingedeeld per onderwerp maar vaak genoeg gaat EHMS binnen een hoofdstuk off-topic. Komt daarbij dat deze hoofdstukken gevuld zijn met enkele korancitaten, vele hadiths (overleveringen) en met name héél erg veel commentaren die hij citeert van rechts- en andere geleerden. Deze commentaren bevatten ook citaten met andere commentaren, ainsi de suite.

Voor mij, toch een relatieve newbie in islamitisch recht (wat heet), is de tekst bij tijd en wijle een amalgaam waarvan ik niet weet wanneer het ene commentaar begint en het andere eindigt. Alhamdulillah is het (meestal) wel duidelijk wanneer EHMS zelf aan het woord is; dat gebeurt overigens nauwelijks. Hij laat de geleerden van korter en langer geleden liever zelf aan het woord; meestal is niet duidelijk wat hij van een bepaald commentaar vindt. Soms geeft hij zijn voorkeur voor een bepaald idee subtiel aan, een andere keer is hij heel stellig in de onderschrijving van een bepaald commentaar. De originele versie van de Kifâya is geschreven in het Arabisch en is afkomstig van drie verschillende manuscripten (geschreven kopieën - zie foto in deze alinea). In de editie van de uitgeverij Al-Bouraq die in mijn bezit is, staat de originele Arabische versie op de linkerpagina’s en de Franstalige versie op de rechterpagina’s (zie foto bovenaan deze weblogbijdrage).

Het onderstaande is geenszins een samenvatting of - Allah betere het - een doorwrochte recensie van de Kifâya. Het zijn mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Kifâya, gelardeerd met persoonlijke ervaringen en opmerkingen. Deze ervaringen en opmerkingen heb ik voor de duidelijkheid gemerkt door de betreffende tekst blauw te kleuren, zoals hier.




Het eerste deel “Corruption du temps” (p. 50-237) is voor mij onontgonnen gebied en moet ik echt doorploegen; dit deel komt er in deze weblogbijdrage bekaaid van af. Het tweede deel “La Prière, la Zakât, le Jeûne” (p. 239-447) spreekt mij meer aan, doordat het gaat over geloofspraktijken als het gebed, de armenbelasting en het vasten. Nochtans komen er ook in dit tweede deel genoeg thema’s aan de orde die nieuw voor mij zijn. EHMS recapituleert zijn Kifâya in een gedicht (p. 449-457). Bij voorbaat mijn excuses voor de kwaliteit van mijn vertalingen vanuit het Frans naar het Nederlands.

In de presentatie van de Kifâya (p. 17-32) zegt de samensteller/vertaler El Hadji Ravane Mbaye het volgende: “De Kifâya beschrijft de positieve en negatieve aspecten van de geloven en de religieuze praktijken zoals de auteur ze heeft gezien te midden van de Senegalese bevolking”. Ik ben vooral benieuwd in hoeverre de leer van EHMS zich in het dagelijks leven van Senegal manifesteert. Daar zal ik achter komen wanneer ik weer in Senegal ben.

In het resumé van het boek (p. 33-37) staat o.a. het volgende: “De tekst van de Kifâya is bovenal geïnspireerd op de dagelijkse ervaringen van de auteur, hij waakt ervoor namen te noemen, om zo te voorkomen niet in een polemiek terecht te komen.” Ik zal later zien, bij het lezen van de Kifâya, dat dat betekent dat het werk overkomt als een verhandeling over de diverse aspecten van het islamitisch recht zonder dat het met een bepaald land te maken heeft. De Senegalese actualiteit ten tijde van het schrijven van de Kifâya ontbreekt bijna geheel. Jammer, nu wordt het in zijn historische context plaatsen van de Kifâya wel erg moeilijk. Aan de andere kant, dat maakt de Kifâya wèl universeel en moet zo dus moslims uit alle windstreken kunnen aanspreken.




EERSTE DEEL “Corruption du Temps”

Hoofdstukken I en II (p. 61-91) van de Kifâya gaan respectievelijk over de bronnen van het religieus sectarisme en de verdiensten van de koran.

Hoofdstuk III “Hoe de koran te lezen?” (v.a. p. 93) heeft aan het eind van pagina 93 een mooie overlevering die ik je niet wil onthouden:
“Op een dag bij het betreden van de markt zei Abu Hurayra (één van de Metgezellen van de Profeet): ‘Ik zie jullie straks daar waar de erfenis van Muhammad (vrede zij met hem) wordt verdeeld in de moskee.’ Ze gingen erheen, kwamen snel terug en zeiden: ‘Wij hebben niets verdeeld zien worden in de moskee, alleen mensen die daar de koran lezen.’ ‘Dàt,’ zei hij, ‘is de erfenis achtergelaten door onze Profeet (vrede zij met hem)’.”
(p. 99) Ik heb altijd gedacht dat de pauzes die ik hoor in koranrecitatie iets was zuiver en alleen op basis van de tekens die láter boven de tekst zijn toegevoegd (dan bedoel ik niet de klinkers maar de andere tekens). Volgens een geleerde die gespecialiseerd is in de regels van koranrecitatie en die luistert naar de naam Ahmad Ibn Muhammad Ibn ‘Abd al-Karîm Ibn Muhammad Ibn Ahmad Ibn ‘Abd al-Karîm al-Karîm al-Achmûnî (de Kifâya staat vol met dit soort lange namen!) zijn er pauzes die zijn terug te voeren op Gabriël, die het Woord van Allah aan Muhammad (vrede zij met hem) in een periode van een aantal jaren heeft overgebracht. Weer wat geleerd.
Voor meer informatie over deze tekens, zie deze webpagina van quran2hadith.wordpress.com.

Hoofdstuk IV “De echte en valse marabout” (v.a. p. 109). Hierin waarschuwt EHMS tegen de nep-marabouts die het leven van onschuldige moslims onveilig maken. Ik kan er wel eentje noemen die de Senegalese actualiteit heden ten dage bepaalt (hij werd zelfs op de vingers getikt door leiders uit zijn eigen broederschap) maar ik noem geen namen, want dat is niet in de geest van EHMS. Het gaat de auteur met name om marabouts die zichzelf belangrijker vinden dan onze profeet Muhammad (vrede zij met hem), marabouts die zich belangrijker vinden dan hun Schepper. Astaghfiroellah.

Hoofdstuk V “Hoe te preken?” (v.a. p. 125). EHMS gaat hierin flink off-topic en grijpt nog even terug op hoofdstuk IV en de nep-marabouts. Op p. 131 wordt een koranvers aangehaald (soera De Donder 13:7) waarin Allah onder andere zegt “Elk volk heeft een Gids”. Dan zegt EHMS, of een commentator, het volgende: “Maar in onze tijd komt het voor dat hij die nooit volgeling is geweest zich opwerpt als marabout - een functie die van vader op zoon overgaat, notabene.” Dat zou ‘zo maar’ over Senegal kunnen gaan.

Hoofdstuk VI “Betreft het aantal wettelijk toegestane echtgenotes” (v.a. p. 135). Nooit geweten dat er verschillende interpretaties bestaan over het koranvers 4:3 dat het, letterlijk vertaald, heeft over “twee en drie en vier vrouwen”. De consensus is dat het gaat over “twee of drie of vier vrouwen”. Vier maximaal dus. Weer wat geleerd. Geniet, maar trouw met mate.

Hoofdstuk VII “De valkuilen van het soefisme” (v.a. p. 147). Hé, denk ik, dat wordt interessant. EHMS is zelf een soefi. Meester Abû Abd’ Allâh Ibn ‘Abbâd wordt aangehaald die adviseert niet in de leer te gaan bij iemand die arrogant/pretentieus is, bij iemand die zaken toevoegt aan de religie of bij iemand die een conformist is. Dat laatste is nog een dingetje. Maar eerst dit: de genoemde Meester zegt dat arrogantie een natuurlijke eigenschap is die voorkòmt dat je onderricht goed wordt opgenomen, toevoeging aan de religie leidt tot groot ongeluk en conformisme voorkomt het bereiken van je doelen.

Zarrûq (mysticus en jurist, hij wordt wel vaker geciteerd in de Kifâya) ziet conformisme als het aannemen van een leer die door geen enkele autoriteit wordt onderschreven, je haalt er geen ‘voordeel’ uit en de ‘inhoud’ heeft geen enkele betekenis. Bij het aannemen van een these (Zarrûq bedoelt denk ik ‘bij het aannemen van de leerstellingen van een rechtsschool’) zul je je goed moeten inlichten over de vroomheid en de kennis van de stichter. Zarrûq: “Aldus is de houding van volgelingen ten opzichte van leiders van rechtsscholen. De verplichting zich aan hen te conformeren is zuiver metaforisch.” Okeeh… (De onderstreping is van mijn hand; A.L.)

Hoofdstuk VIII “Hardop zikr bij de vrouwen” (v.a. p. 163). Nooit geweten dat door geleerden de stèm van een vrouw wordt gezien als haar intieme zone (awrah). Weer wat geleerd. In Senegal zijn er genoeg vrouwen die hardop zikr verrichten en zelfs koran-exegese geven, bijvoorbeeld op de radio (Soxna FM, “Vrouw FM”).

Hoofdstuk IX “De buiging op de handen van marabouts” (v.a. p. 169). Buigen op de handen van een marabout, dat ken ik van Senegal. Er zijn zelf mensen van dezelfde sekte (Baye Fall) waarvan de gelovigen elkaar begroeten met zo’n buiging die dan meerdere malen wordt herhaald. Ik vind dat maar niks. EHMS ook, hij haalt daarbij koranvers 41:37 aan. Nou, dan zijn we het daar in ieder geval over eens.

Hoofdstuk X “Hadiyya (geschenk voor een marabout) toegestaan en verboden” (v.a. p. 179). “Er is een ziekte,” aldus EHMS, “waartegen geen therapie is opgewassen: hij die goederen van anderen verslindt in naam van de religie. Dat is het summum van ongeluk.” De eerste alinea van p. 191 laat het standpunt zien van cheikh Ahmad Tijani:
“Op een dag werd onze meester, Imam en intermediair bij onze Heer, Ahmad Ibn Muhammad at-Tijani, ondervraagt over de reden waarom hij geen giften (hadiyya) accepteert terwijl de Profeet (vrede zij met hem) dat wel deed. Hij antwoordde: ‘Dat wat gisteren een gift was, is vandaag een steekpenning geworden’[…]”
Hoofdstuk XI “Bescherming van je geloof” (v.a. p. 197). Een hoofdstuk werkelijk vòl met korancitaten, hadiths en heel veel commentaar. De essentie zit mijns inziens in de derde alinea van p. 197 waarin Sahl (een Metgezel van de Profeet) zegt: “De ware heiligen leven, met elke pas en beweging [die ze doen], met het besef dat het slecht met hun leven zal aflopen. Het zijn zij die Allah (Heilig en Verheven) beschrijft wanneer Hij zegt: ‘Hun harten trillen van vrees’.” (23:60, 8:2) Taqwa ten voeten uit! “Alleen de gelovige vreest Hem, alleen de hypocriet voelt zich veilig bij Hem.” (p. 211)
(p. 215) “Als zikr en devotie worden verricht uit liefde voor Allah (Heilig en Verheven) in de hoop op die manier je wensen vervuld te zien en je gebeden geaccepteerd, dan is dat toegestaan en niet ernstig, vooropgesteld dat je er van overtuigd bent dat Allah (Heilig en Verheven) handelt in complete vrijheid en niet als gevolg van de zikr. Hij handelt op het moment vàn de zikr, niet dóor de zikr. Noch de zikr, noch de devotie, noch hun waardigheid is van enige invloed.” (cheikh Ahmad Tijani in zijn standaardwerk “Jawâhir al-Ma’âni”)
Persoonlijk kan ik meer met die benadering ‘uit liefde’ dan ‘uit vrees’. Ik heet ook niet voor niets “Abdulwadûd”, "de dienaar van de Liefderijke".

Hoofdstuk XII “Waarmee je te verzorgen?” (v.a. p. 227) . Het is toegestaan om met koranverzen te genezen! Weer wat geleerd. Je kunt bijvoorbeeld genezen door het reciteren van de Fatiha. Op pagina 235 staat:
“In een authentieke hadith van Abû Sa’îd (at-Tirmidi) wordt gezegd: ‘De Fâtiha is een remedie voor alle ziekte’. Volgens Abû Dâwud heeft Ibn Ma’sûd verklaard: ‘Op een dag waren Hassan en Hussein ziek geworden. De Engel Gabriël kwam naar beneden om aan de Profeet (vrede zij met hem) de raad te geven veertig keer de Fatiha te reciteren boven een kom met water, waarmee hij vervolgens hun handen, voeten en hoofden moest wassen.”




TWEEDE DEEL “La Prière, la Zakât, le Jeûne”

Hoofdstuk I “Een algemeen advies” (v.a. p. 241). De verschillende commentaren zijn door mij niet altijd van elkaar te onderscheiden; dat geldt eigenlijk voor alle hoofdstukken van de Kifâya, maar zeker voor dit hoofdstuk. Nochtans is het een leerzaam hoofdstuk. Neem nu het deel over antropomorfisme.

Wanneer in de koran zaken staan als “het aangezicht van Allah” neem ik dat niet letterlijk, maar bij wijze van spreken. Immers, “Hij is niets of niemand in enig opzicht gelijk” zo heb ik geleerd al kort na mijn bekering. Voor mij is dat een vanzelfsprekendheid. Dat geldt blijkbaar niet voor iedereen. Want in dit hoofdstuk van de Kifâya wordt tegen antropomorfisme gewaarschuwd:
(p. 243-245) “Denk eraan dat er in de koran en hadith dingen staan die op antropomorfisme lijken, zoals ‘De Barmhartige is gezeten op de Troon’ (20:5). Rond die kwestie zijn er drie gezichtspunten: 1) […] ‘Op de troon’ is een bekend gegeven in Allah’s Woord maar de vorm ervan onbekend omdat het onmogelijk is zich een voorstelling te maken van de Goddelijke essentie, […] 2) mensen die het nemen zoals het lijkt te zijn trappen in de val van de carnatie, […] 3) mensen die zulke verzen zien als allegorisch, tot het punt dat ze het van de uiterlijke betekenis ontdoen.”
(p. 261) Daar is Zarrûq weer, één van de geleerden die het meest door EHMS worden geciteerd. Hieronder probeer ik de complete tweede alinea van deze pagina te vertalen (nogmaals: mijn excuses, correct vertalen vanuit het Frans naar het Nederlands is niet mijn sterkste punt):
“Hij [Zarrûq] zegt op de zesennegentigste regel [van de Qawâ’id]: ‘De perfectie van aanbidding (devotion) ligt in het bewaken en respecteren ervan door het verrichten van de uiterlijke en innerlijke vormen zonder onnodige overdrijving (excès) en veronachtzaming. Hij die veronachtzaamt, kan de aanbidding verpesten, en de overdrijver (extrémiste) kan iets veranderen (innover) met name als hij er van overtuigd is dat hij door iets toe te voegen [aan de aanbidding] dichter bij Allah komt.”
Ik ben benieuwd hoe in dit licht de Salaatoul Fatih, en in het verlengde ervan de Lazim (wird tijaniyya) en de Wazifa worden beschouwd. Er zijn namelijk mensen die deze zaken als toevoegingen zien.

(p. 271) Cheikh Tijani haalde in een brief aan het volk van Châm (het tegenwoordige Syrië) een hadith aan waarin veel aandacht is voor de pauzes die ook hun plaats hebben in het gebed (salaat). De uitleg van de cheikh:
“Vermijd dus de malheur waarvan velen het slachtoffer zijn die onverschillig zijn ten opzichte van het correct verrichten van het gebed, een onverschilligheid die [leidt tot] het buigen [tot op de grond] als een haan die scharrelt.” 
Bij het lezen hiervan moet ik denken aan hoe in de moskee van mijn woonplaats Zutphen de tarawîh wordt verricht: hoofd-schouders-knie-en-teen, alsof het een gymnastische oefening is met slechts één of twee aya's per rakaat!

Hoofdstuk II (v.a. p. 273) is gewijd aan de vraag of het wel of niet is toegestaan iets te dragen (bijvoorbeeld je kind) tijdens het verrichten van het gebed.

Hoofdstuk III “Wijze van bidden” (v.a. p. 277). In Senegal bidt de meerderheid met zijn armen langszij (irsâl) en niet met de handen op de borst (qabd). Daar ik altijd met de handen op de borst bid, dacht men in Senegal dat ik een strenge moslim was die behoorde tot de sji’tische importbeweging Ibadou Rahmane. Ik heb mij altijd afgevraagd waar irsâl vandaan komt. In dit hoofdstuk laat EHMS vele geleerden aan het woord die zelfs onderling van mening verschillen over wat Imam Mâlik vond van de irsâl; zelfs binnen één alinea kan het alle kanten op gaan. Soit, irsâl of qabd? Eenheid in verscheidenheid, zeg ik altijd maar. Als we maar verder alle bewegingen niet veranderen en de imam precies volgen. Anders krijgen we een domino-effect in de moskee. Zie je het al voor je?

Hoofdstuk IV “De basmala in de salaat” (v.a. p. 291). Het hardop zeggen van de basmala (Bismillahi-r-Rahmani-r-Rahiem, In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle) blijkt óók een issue te zijn. Da’s nieuw voor mij. Sommige geleerden, blijkt uit dit hoofdstuk, zijn van mening dat de basmala géén deel uitmaakt van de Fatiha. In mijn tijd als verse moslim in 1996 heb ik juist geleerd dat de basmala officieel het eerste vers is van de Fatiha (en niet van de andere soera’s, al begin je deze soera’s wel met de basmala als ‘introductie’ - soera At-Tawbah daargelaten).

In dit hoofdstuk legt EHMS uit dat Imam Mâlik tijdens het gebed de basmala nooit uitsprak “noch zachtjes, noch hardop”. Echter, cheikh Tijani, zijnde van de malikitische school, heeft Imam Mâlik hierin nooit gevolgd. Hij, zo legt EHMS uit, deed het eerder zoals de aanhangers van Imam Shafi (hardop in de gebeden die hardop gebeden worden, te weten het ochtend- avond- en nachtgebed).

In dit hoofdstuk kom ik veel te weten over EHMS en zijn standpunten, daar hij hier (eindelijk zou ik zeggen) zijn eigen mening ventileert; hij komt ècht aan de oppervlakte hier! EHMS zegt dat de verschillen over de basmala ons (de moslims) niet mag verdelen:
(p. 295) “Ik heb nu zo lang [zelf] gepraat alleen om te laten weten dat onze cheikh [Tijani] niet de enige is die binnen de Malikitische rechtsschool de basmala reciteert en er geen voorschrift van heeft gemaakt in zijn Mohammedaanse Orde (Ordre Muhammadiyya). In feite hebben we van hem niets ontvangen dat het tot een voorwaarde maakt.”
Maar dan, om de lieve vrede te bewaren, laat EHMS weten dat het beter is deze kwestie uit de weg te gaan, omdat we nooit zeker weten hoe het nu precies zit.

(p. 299) Om zijn punt te maken laat EHMS de geleerde al-Ubbi aan het woord die heeft gezegd:
“Het beste is af te zien van de behandeling van deze [basmala] kwestie. Want, zoals men zegt, als behoud [van de basmala] de waarheid is, haalt hij die het verwerpt een vers [uit de koran] weg; en als verwerping [van de basmala] de waarheid is, voegt bij die het behoudt een vers toe [aan de koran]. Het verwerpen of toevoegen van een vers aan het Woord van Allah is een daad van ongeloof.”
Hoofdstuk V “De positie van de armen gedurende de invocatie" (v.a. p. 315). “Invocation” vertaal ik normaal met “zikr” (het gedenken van Allah). De originele Arabische titel van dit hoofdstuk heeft het over “salaat” (het verplichte gebed). Al lezende kom ik erachter dat het hier om doa’s gaat (smeekgebeden). Verwarring alom dus.

Het smeekgebed. Zelf verricht ik het altijd met de handpalmen naar boven gericht en over elkaar heen, als een kommetje. Ná het smeekgebed wrijf ik dan met mijn handpalmen over mijn gezicht. Zo heb ik het nu eenmaal geleerd. Anderen heffen juist de handen ten hemel. Zolang de intentie maar oké is, zeg ik altijd maar. Geleerden hebben zich uiteraard ook over deze kwestie gebogen en verschillen ook hier weer van mening. Sommigen beschouwen dat wrijven zelfs als bi’da (een toevoeging aan de geloofspraktijk, dùs verboden). EHMS geeft hier wel zekerheid door een hadith te citeren (At-Tirmidi) waarin staat:
(p. 319) “bij het aanspreken van Allah [tijdens een smeekgebed] liet de Profeet (vrede zij met hem) de handen nooit zakken vóór hij ermee over zijn gezicht had gewreven”.
Hoofdstuk VI “De gezamenlijke verrichting van de salaat” (v.a. p. 323). EHMS laat direct cheikh Tijani aan het woord:
“Het is verplicht de vijf gebeden gezamenlijk te verrichten, als de imam goed let op de correcte uitvoering van de onderdelen zoals de hoofdbuiging en het ter aarde werpen […]. Doet hij dit niet dan is het verboden hem te volgen. En de pauzes moeten genoeg zijn om de verheerlijking van Allah drie keer langzaam of zes keer snel uit te spreken.”
Het boek “Kom tot het gebed” van Abdulwahid van Bommel heeft mij geleerd hoe ik de salaat moet verrichten. Met inbegrip van o.a. het formuleren van de intentie voorafgaande aan de salaat. Tot het lezen van dit hoofdstuk van de Kifâyat heb ik nooit geweten dat je wanneer je achter een imam staat je de intentie moet formuleren dat je hèm volgt:
(p. 325) “Iemand die een imam vindt [met een groep gelovigen die hem volgt] of iemand die alleen bidt en vervolgens de intentie formuleert hem te volgen, wordt aldus een ma’mûm. Zijn intentie te volgen wordt op deze manier effectief. Indien hij de intentie formuleert alleen te bidden en niet de imam te volgen, dan beschouwt men hem als alleenbiddend (munfarid) en is zijn gebed [wel] geldig.”
(p. 329) Kort na mijn bekering had ik een Marokkaanse collega die niet achter de imam van een bepaalde moskee wilde bidden omdat hij dacht te weten dat deze iets op zijn kerfstok had. Een issue waarover EHMS de geleerde Zarrûq aan het woord laat: “Een man die weet dat zijn imam iets heeft uitgehaald, mag hem volgen in het gebed en hem nadoen wanneer hij buigt of weer gaat staan. Maar, hij handelt alsof hij alleen bidt en zorgt ervoor korte soera’s te reciteren om te voorkomen dat de imam hem niet inhaalt. Zo is het gebed geldig en krijgt hij dezelfde beloning als gedaan bij een gezamenlijk gebed […]” Had ik dat geweten, dan had ik deze collega deze woorden kunnen doorgeven.

Hoofdstuk VII “De uitspraak van de [letters] ‘dâd’ en de ‘jîm’” (v.a. p. 339) Ook in dit hoofdstuk laat EHMS zich weer duidelijk zien. Direct in de eerste alinea laat hij zich uit over een discussie die er gaande is binnen de Senegalese maatschappij:
“U moet ook weten dat er een discussie gaande is tussen sommige van onze landgenoten van moorse origine, die heeft te maken met de uitspraak van enkele [letters], te weten de ‘dâd’ en de ‘jîm’. [Deze discussie] heeft sommigen ertoe aangezet te weigeren te bidden achter één van de anderen. […]”
EHMS zegt dat de moslims van deze tijd vertrouwen moeten hebben in de ander om zo zich de kwaliteiten van Allah eigen te maken ('incarner' staat er letterlijk in de Franse tekst). Ik ga er vanuit dat dat “incarner” overdrachtelijk bedoeld is.

Onderaan p. 339 staat een hadith die, als er issues zijn over de uitspraak van het Woord van Allah, prima kan worden toegepast: “De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd; ‘Wanneer iemand niet goed reciteert of fouten maakt of verkeerd uitspreekt of als het geen Arabier is, zal de Engel de recitatie vastleggen op de manier waarop deze is geopenbaard.” Helaas wordt deze hadith als zwak (daïf) beschouwd.

Zo wordt dit een hoofdstuk waarin EHMS oplossingen probeert aan te dragen om iets te doen tegen interne strubbelingen die de moslimgemeenschap van zijn land teisteren, strubbelingen die EHMS beschouwt als een ziekte. Meerdere malen spreekt hij de lezer direct aan:
(p. 341) “De roerige tijden (fitna) waarin wij ons nu bevinden, wij en onze broeders, [die roerige tijden] die ervoor zorgen dat wij elkaar haten, elkaar verachten, die ons leiden naar chauvinisme en strijd (l’esprit partisan) zijn relatief gezien schadelijker voor onze religie dan in het geval wij ziek zijn en geen genezing hebben kunnen vinden.” Dat is een mooi bruggetje naar dokters/genezers, want direct volgt deze tekst, nog steeds van de hand van EHMS. Wàt een redenaar is die man, mash’Allah:
“De Heiligen (Walî) hebben voor ons een Weg gemaakt die, voor hen die zich aansluiten, een efficiënte remedie is tegen zulke en andere ziektes. Maar wanneer de situatie lang geduurd heeft en wij niet de voorschriften (recepten) van deze Weg hebben gevolgd zoals het hoort, keren deze ziektes terug en in heviger mate: de voorschriften van de dokters medicijnen in te nemen en het lichaam te verzorgen zijn niet opgevolgd. In deze hadith zegt de eerste en de grootste der Dokters: 'Haat elkander niet; wees niet kwaad op elkaar en maak geen ruzie; wees dienaren van Allah; wees broeders!'”
Vervolgens laat EHMS geleerden aan het woord. Op p. 343 richt hij zich weer direct tot de lezer. Het zit hem hoog die fitna, die troebelen in de Senegalese maatschappij:
“Heer! Sta ons toe onze impulsen te beheersen [zodat] deze zich niet tegen ons keren en, Heer, bescherm ons tegen [deze] dodelijke troebelen.”
Hoofdstuk VIII “Het vrijdagmiddaggebed” (v.a. p. 365) Wat mij in Senegal opvalt is dat het vrijdagmiddaggebed alleen in bepaalde grote moskeeën wordt gehouden. Bij lezing van de Kifâya (p. 369) kom ik erachter dat dat altijd zo was: het bestaan van kleine buurtmoskeeën naast grote moskeeën. (In een land als Nederland is dat natuurlijk anders, zie maar eens - vooral in een tijdgeest als de huidige - óok nog kleine buurtmoskeeën te bouwen. Dan zijn de Hollandse rapen gaar.) Die grote moskeeën zijn er dan óók voor het vrijdagmiddaggebed. Overigens mogen dorpsbewoners die geen grote moskee hebben ook de marktplaats gebruiken als plek voor het vrijdagmiddaggebed. De geleerden zijn hierover wel verdeeld.

In 1997 heb ik voorafgaande aan mijn huwelijk gelogeerd bij oom Matar Niang. Elke ochtend vroeg gingen wij samen naar de moskee, een hele belevenis. Zeker voor een relatief vers bekeerde moslim die tot dan toe alleen in Amstelveen en Amsterdam gebedsruimtes had bezocht (voornamelijk in oude scholen en buurtcentra). Zeker het aanwezig zijn bij het reciteren van de wazifa, ná het ochtendgebed, maakte op mij grote indruk.



Dit was ook in de periode waarin Matar Niang bij mij de puntjes op de i kon zetten daar waar het bidden (in de moskee) betreft. Een voorbeeld: na binnenkomst in de moskee, nog vóór je gaat zitten en/of de mensen groet die al in de moskee zijn, bid je eerst twee rakaat ‘voor de moskee’. Dat leek me destijds zo onbeleefd: binnenkomen en niet groeten. Maar goed, zo gezegd, zo gedaan. In dit hoofdstuk kom ik op p. 379 een commentaar tegen dat hier prima op aansluit: “Hij die een moskee binnenkomt waar mensen zijn, behoort hen niet te groeten vóór hij een gebed als begroeting van de moskee heeft verricht. Echter, als hij bang is voor rancunes wanneer hij zo handelt, groet hij hen vóór hij welk gebed dan ook doet.”

(p. 381) Er zijn periodes waarin je zeker geen gebed (salaat of nafl) mag verrichten, bijvoorbeeld kort voor het avondgebed (maghrieb) en kort na het opgaan van de zon. Kom je in zulke periodes een moskee binnen dan mag je het gebed van begroeting zeker verrichten. EHMS haalt een geleerde aan die dit aldus verwoord:
“Wij staan niet toe dat het gebed van begroeting op tijden dat het verboden is een vrijwillig gebed te doen, verboden wordt. Het is juist aangeraden [het te doen] op toegestane èn verboden tijden, met dien verstande dat je het op toegestane tijden verricht als een gebed, terwijl het op verboden tijden geldt als zikr.”
Hoofdstuk IX “Armenbelasting (zakaat) op granen” (v.a. p. 383) Dit hoofdstuk zit vol met hele verhandelingen over welke producten wel of niet belastbaar zijn, en zo ja, belastbaar in welke mate. Ik heb kennis genomen van de inhoud maar het staat zó ver van mij af dat ik er moeite mee heb het te begrijpen. Wat ik wel doorheb is dat de belastbaarheid van pinda’s destijds (in het Senegal van meer dan honderd jaar geleden, toen nog een Franse kolonie) een issue was. Ook zakaat-kwesties zorgen voor troebelen in Senegal. Uiteraard probeert EHMS dan de partijen tot elkaar te brengen; weer komt zijn eigen overtuiging en zijn wil om te bemiddelen duidelijk naar voren. Op p. 419 staat de volgende opmerking van zijn hand:
“Je moet weten dat er, strikt genomen, geen verschil van mening is tussen de wetscholen daar waar het principe [van zakaat] betreft, want zoals men zegt in “Rihla al-‘ayyachiyya”, zij behoren tot één en dezelfde religie, afkomstig van die Ene Unieke God, via één en dezelfde Boodschapper. De mannen bestaan uit één geheel (“één man”) gezien hun wettelijke verantwoordelijkheden. Geen van hen heeft verantwoordelijkheden die niet door anderen worden gedragen. […]”
Hoofdstuk X “De aankondiging van het begin van de ramadan” (v.a. p. 421) Kijk, da’s pas een hoofdstuk dat prima kan aansluiten bij het Senegal van nú. Er is in Senegal altijd gedoe rondom het precieze begin van islamitische maanden en dan met name die van de vastenmaand Ramadan. Senegal heeft verschillende organisaties die zich bezig houden met de waarneming van de maan. Zelfs wanneer verschillende moslims onafhankelijk van elkaar zeggen de maan te hebben gezien, denk dan maar niet dat het hele Senegalese volk, daar waar het de moslims betreft uiteraard, ook daadwerkelijk op dezelfde dag begint met vasten.

Dit is een prima klus voor EHMS! Weer laat hij duidelijk van zich horen. Naar eer en geweten probeer ik de eerste alinea van dit hoofdstuk en een deel van de volgende pagina voor jou te vertalen (vanuit het Frans, het Arabisch ligt mij wat minder):
(p. 421) “Verhandeling over de controverse in Châm (het huidige Syrië) of het is toegestaan de telegraaf te gebruiken om [het begin van] de Ramadan aan te kondigen. Het vasten in de Ramadan maand is één van de zuilen van de Islam. Als je de regels en voorwaarden wilt kennen die hebben te maken met de eerste verschijning van de [wassende maan] (‘croissant lunaire’ in het Frans), raadpleeg dan de werken van de fiqh (islamitisch recht). Het is overigens paradoxaal dat zij die zich beroemen het (fiqh) te kennen, het gebruik van de telegraaf verwerpen. Voor mij is het (de telegraaf) zekerder dan vuur of een kanonschot. Merkwaardig is de houding van hen die zeggen kennis te hebben [van de verschijning van de maan] en deze gebeurtenis, die reeds bekend is en bevestigd door communicatie, ontkennen. Ik verbaas me erover dat mensen die zeggen kennis te hebben deze ontkennen nádat de gebeurtenis zeker en bevestigd is. En het bewijs van de betrouwbaarheid van dat communicatiemiddel is [nota bene] verkregen bij machthebbers (sultans) en de bevolking van moslimlanden, het is hetzelfde als mond-tot-mond. […] Want het staat vast in de Malikitische school dat de aankondiging van het vasten geldt voor het hele land, via het communicatiemiddel dat voorhanden is.” (onderstreping door mij; A.L.) Jammer dat niet iedere moslim in Senegal, en in de rest van de wereld trouwens, er ook zo over denkt.
(p. 423) “Ik [El Hadji Malick Sy] zeg: Als men zegt dat de telegraaflijn is uitgevonden door astrologen, dan zeggen wij resoluut dat het er om gaat of de telegrafìst een moslim is die goed bekend staat, en niet het apparaat of zijn maker. […] Overigens als deze religie daar was gebleven waar het begon ten tijde van de Profeet (vrede zij met hem), zonder dat iemand maar ook iets deed, zou zij (de telegraaf) niet bij ons zijn aangekomen. […] Het is gebruikelijk in de landen van de Maghreb, dat wil zeggen in de buitengebieden, dat de verschijning van de [wassende maan] wordt aangekondigd met een vuur dat wordt aangestoken op bergtoppen, de ene stad steekt het aan om zo de andere te informeren, of door kanonschoten. Aldus bezien, kun je [toch gewoon] het verschijnen van de wassende maan aankondigen middels de telegraaf die [juist] is ontworpen om boodschappen door te geven? Het is in ieder geval helder dat als de telegraaf wordt beheerd door een betrouwbare waardige man, het een stuk effectiever is dan het aansteken van een vuur.” En dan een paar pagina’s verder:
(p. 429) De Malikitische rechtsgeleerde al-Lahmî zei:
“Als mensen een machthebber hebben die het probleem van de waarneming van de wassende maan verwaarloost, zullen zij zich er zelf mee bezig moeten houden. Ze moeten vasten [aan het begin van de ramadan] of het vasten verbreken [aan het eind van de ramadan] en hen die onder hun verantwoordelijkheid vallen, daarin meenemen, wanneer zij het waarnemen of wanneer zij zijn geïnformeerd over de verschijning ervan door een betrouwbaar iemand.”

Hoofdstuk XI “Les qualifications légales et l’évolution” (v.a. p. 439) De Franstalige titel van dit hoofdstuk heb ik om misverstanden te voorkomen onvertaald gelaten. “Evolution” heeft in dit verband niets te maken met Darwin maar met voortschrijdend inzicht, het besef dat zaken in de loop van de tijd in een ander licht kunnen worden bezien.

In dit laatste hoofdstuk van deel twee van de Kifâya worden twee issues besproken: verdienen aan koranles en de noodzakelijkheid de antwoorden op sommige theologische vragen aan te passen in het kader van de “evolution”.

Voor wat betreft het eerste punt zegt Imam Mâlik: absoluut toegestaan, Abû Hanîfa: absoluut verboden en sommige geleerden staan het toe wanneer het ‘t karakter heeft van een beloning en niet van een betaling. Wederom grote verdeeldheid dus.

(p. 441) De uitleg over het tweede punt begint plots in dezelfde alinea waar nog wordt uitgelegd over verdienen aan koranles (en aan andere religieuze zaken). Het lijkt alsof er iets mist (een fout van de kopiïst destijds?). Hoe dan ook, de uitleg luidt als volgt:
“Ze (geleerden?) ondersteunen, dat in de huidige tijd de antwoorden op sommige vragen gerelativeerd dienen te worden gezien de ontwikkeling van de tijd en de vrees voor het verlies van kennis en de levenswijze (ad-dîn, in het Frans vertaald met “religion”). Tussen deze vragen [staan de volgende kwesties]: de frequente bezoeken van geleerden aan sultans, de bezoeken die zij (de geleerden of de sultans?) brengen aan de dorpen om in hun levensonderhoud te voorzien, het idee van salaris voor het geven van koranles of voor het oproepen tot het gebed of voor het voorgaan in gebed, de praktijk van coïtus interruptus bij [een echtgenote] zonder haar toestemming en het feit van het groeten van wijndrinkers en andere vergelijkbare zaken.” Dat voorlaatste punt zag ik niet aankomen; is het een manier van geboortebeperking door de man zonder toestemming van de echtgenote? Bijzonder, in ieder geval.
 


Dit waren mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Kifâya. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Zeg 't maar

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.