* * * UITGELICHT : Powerpoint presentatie "De 99 Schone Namen van Allah" * * *

woensdag 16 november 2016

Weer wat geleerd (2)

#justread “Le Grand Savant El Hadji Malick Sy, Pensée et Action, Tome troisième, Ifhâm al-Munkir al-Jânî, Réduction au silence du dénégateur”

Cheikh Ahmad Tijani
El Hadji Malick Sy (kortweg: EHMS) is een soefi en een uitgesproken aanhanger van Mâlik ibn Anas, waarnaar de Malikitische rechtsschool is vernoemd (één van de vier grote rechtsscholen binnen de soennitische islam). Hij is de stichter van een Senegalese tijaniyya leerschool met als hoofdstad Tivaouane, Senegal. Cheikh Ahmad Tijani is zijn Meester.

El Hadji Malick Sy
In “Ifhâm al-Munkir al-Jâni” (“De criticaster tot zwijgen gebracht” is mijn vrije vertaling), kortweg: de Ifhâm, komt EHMS vaker ‘aan de oppervlakte’ dan in de Kifâya (zie deze weblogbijdrage). Nota bene: EHMS brengt de criticasters van de spirituele islam, en dan met name hen die ontkennen wat de tariqa at-Tîjâniyya en zijn Cheikh (Tijani) hebben gebracht, alleen tot zwijgen met argumenten.
(met de benaming "tariqa" wordt een soefi-orde of -broederschap aangeduid, het woord betekent "Weg"of "Pad")

Laat ik je direct zeggen dat dit boek nog zwaardere kost was dan de twee andere delen (Vie et Oeuvre en de Kifâya); al zegt de samensteller/vertaler in de Presentatie van het boek dat de stijl van de Ifhâm hem minder compromisloos lijkt dan die van de Kifâya “waarin hij zonder aanziens des persoons de zaak van de Sharia en de orthodoxie verdedigde, terwijl de Ifhâm verzoenender en kalmer is.” Zoals ik eerder zei in deze korte weblogbijdrage over het lezen van de Ifhâm: “Sommige betekenissen van dit werk lijken voor mij nog verborgen, maar dat past dan wel bij die spirituele benadering van islam”. Dat kan te maken hebben met de opbouw van de hoofdstukken: tekst die bij mij bij tijd en wijle overkomt als een amalgaam waarvan ik niet weet wanneer het ene commentaar van de ene geleerde begint en het andere eindigt. Alhamdulillah is het (meestal) wel duidelijk wanneer EHMS zelf aan het woord is; in tegenstelling tot de Kifâya is hij in de Ifhâm duidelijker aanwezig.

De originele versie van de Ifhâm is geschreven in het Arabisch en is afkomstig van twee verschillende manuscripten (geschreven kopieën - zie foto bij deze alinea). In de editie van de uitgeverij Al-Bouraq die in mijn bezit is, staat de originele Arabische versie op de linkerpagina’s en de Franstalige versie op de rechterpagina’s (zie foto bovenaan deze weblogbijdrage).

Het onderstaande is geenszins een samenvatting of - Allah betere het - een doorwrochte recensie van de Ifhâm. Het zijn mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Ifhâm, gelardeerd met persoonlijke ervaringen en opmerkingen. Deze ervaringen en opmerkingen heb ik voor de duidelijkheid gemerkt door de betreffende tekst blauw te kleuren, zoals hier. Ook nu geldt (evenals bij mijn weblogbijdrage over de Kifâya) dat ik mij verontschuldig voor de wat kromme vertalingen van het Frans. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.


 


In de presentatie (p. 17-27) steekt de samensteller/vertaler El Hadji Ravane Mbaye de loftrompet over El Hadji Malick Sy en diens werk, de Ifhâm. (p. 19) “We kunnen de Ifhâm […] beschouwen als een fresco van mystieke thema’s, op z’n minst als een samenvatting van de ontwikkeling en de praktijk van de tijani doctrine.” (p. 25-26) Voor wat betreft de Franse vertaling heeft Mbaye geprobeerd zo dicht mogelijk bij het originele Arabisch te blijven. Al zijn er woorden die, simpel vertaald, de gewone lezer niet helpt bij het begrijpen ervan, zoals de term ‘tasawwuf’. Wanneer je deze term als ‘mystiek’ vertaald, kan dit begrip (tasawwuf) worden geladen met betekenissen die in hun essentie christelijk zijn, aldus Mbaye.

In de samenvatting van de tekst (p. 29-30) zegt Mbaye dat de Ifhâm gewijd is aan de doctrine, principes en de gebruiken van de tariqa at-Tîjâniyya – inclusief een weerwoord aan de criticasters; een weerwoord waarmee de gemeenschap van tijani’s zich kan wapenen om zo met argumenten zich te kunnen weren “tegen de twijfels die hun tegenstanders in hun geest proberen te zaaien […] Het werk geeft de indruk antwoorden te geven op een vragenlijst,” aldus Mbaye. Net zoals bij de Kifâya geeft El Hadji Malick Sy aan het eind van de Ifhâm een samenvatting in versvorm.

Van p. 31 tot en met 37 zijn enkele manuscripten afgebeeld waarop Mbaye zijn versie van de Ifhâm heeft gebaseerd.




De Ifhâm

VOORWOORD (p. 41-47)

De Arabische titel van het boek “Ifhâm al-Munkir al-Jânî” wordt hier anders vertaald dan op de cover. Op de cover staat als Franstalige titel “Réduction au silence du dénégateur” maar in dit voorwoord (en verder in het boek) staat “Réduction au silence du détracteur transgresseur”. Beide vertalingen zullen goed zijn, de taalbarrière speelt mij hier parten.

In dit voorwoord steekt EHMS zoals het hoort eerst de loftrompet op zijn Schepper (Heilig en Verheven) en diens Boodschapper (vrede zij met hem). De Ifhâm biedt gelovigen materiaal om zich te verdedigen tegen aanvallen: “Voor hen die zich beroepen op de Islam is het een plicht het te verdedigen.”

(p. 43) Na loftuitingen op zijn Meester, Cheikh Tijani, verklaart EHMS: “De identiteit van de Ordes, de broederschap en het feit dat de Meesters als één en dezelfde persoon zijn, mag de volgeling er niet van weerhouden zich te houden aan, [laat ik] het goed zeggen: de goede aanwijzingen van zijn Meester, conform de soefi-vormen, met inachtneming van het verschil in doctrines en methodes.” Eenheid in verscheidenheid dus.

INTRODUCTIE (p. 49-89)

In de introductie doet EHMS uitgebreid uit de doeken hoe hij is geïnitieerd in de islamitische studies (Sharia) en in de mystiek (Haqîqa). Ook hier loftuitingen op zijn Meester; wanneer het gaat om het beschrijven van zijn Meester, Cheikh Tijani, dan barst EHMS los in vele superlatieven:

(p. 51) “de Zegel der Heiligheid, de Walî (kan worden vertaald met de Heilige), de Samadânî (m.i. een verwijzing naar vers 2 van soera 113, “Allâhoe samad” Allah is Zichzelf-genoeg, Eeuwig), onze grote meester en gids, de rode Hyacint, Ahmad Ibn Muhammad at-Tîjâni (moge Allah ons laten drinken van zijn oceaan van licht). […] Voor wat betreft meester at-Tîjâni, hij heeft de tariqa ontvangen van de meester der schepselen, Muhammad (vrede zij met hem), in woord, terwijl hij wakker was.” Velen buiten de tariqa at-Tîjâniyya betwisten dat en zetten vragen bij de verschijning van de Profeet (niet alleen bij de verschijning aan Cheikh Tijani maar ook bij verschijningen in het algemeen).

De introductie lijkt deels een curriculum vitae van EHMS. Het bevat een overzicht van welke Meesters hij een ‘ijâza’ (autorisatie, een certificaat of een diploma) heeft gekregen. Van elke ijâza wordt de tekst weergegeven (zoals de referenties die een CV vaak vergezellen). Middenin deze CV weidt EHMS uit over wat Cheikh Tijani in het openbaar (in diens werk “Jawâhir”) heeft doorgegeven over de eigenschappen van soera Al-Fatiha. Deze uitweiding is verdeeld over twee pagina’s (p. 69-71). Ik zal proberen met mijn matige kennis van het Frans dat ik heb, een deel van deze uitweiding woord-voor-woord te vertalen. Op die manier neem ik deze lesstof goed in mij op (het lezen van dit boek en de andere delen beschouw ik als zelfstudie) èn incha Allah heb jij er als lezer van deze weblogbijdrage ook nog wat aan. Het beste voor jou is natuurlijk om dit boek zelf te lezen (als je het Arabisch en/of het Frans machtig bent). Maar goed, tot zover mijn uitweiding. Nú een fragment van de uitweiding (‘Remarque Importante’) middenin de CV van EHMS over de Fatiha:

(p. 71) “Volgend op een lange uiteenzetting, zegt de Meester (Ahmad Tijani), moge Allah tevreden met hem zijn: ‘Zij (de Fatiha) herbergt vijf Namen. Dat zijn in wezen de meest beroemde en de meest edele Namen. Het is door de verhevenheid (noblesse, staat er in de Franse vertaling) en de grote waarde van deze Namen, dat Allah er de Moeder van de Koran, de sleutel naar het Paradijs, van heeft gemaakt - dat het alle gebeden ongeldig maakt waar de Fatiha niet in voorkomt. Het is omdat ze die vijf Namen in zich heeft dat de Fatiha kwaliteiten heeft die boven de andere soera’s staan. Besef dat ze de grootste en meest sublieme Naam in zich heeft waarmee Allah verhoort wanneer men Hem aanroept en [waarmee Allah] geeft wanneer men Hem smeekt. […]”




HOOFDSTUK I
“De stamboom van de Cheikh” (p. 91-117)


Hierin verhaalt EHMS van de afkomst van Cheikh Tijani, daarbij gebruik makend van twee bronnen: de “Jâmi’” van Ibn al-Machrî (de eerste grote metgezel van de Cheikh) en de “Jawâhir al- Ma’âni” van Cheikh Tijani zelf. EHMS heeft de stamboom op rijm gezet.

In dit geval vind ik het èrg jammer dat het Arabisch niet gevocaliseerd is (niet voorzien van klinkers), want ik had graag deze stamboom willen ‘proeven’ door het uit te spreken - dat lukt mij niet goed wanneer de klinkers ontbreken.




HOOFDSTUK II
“Zijn Komst en de geboorte van zijn Weg” (p. 119-133)


Geen aandacht voor de jonge jaren van de Cheikh, behalve dan dat hij zijn eerste onderwijs heeft genoten bij zijn ouders en dat hij al op zevenjarige leeftijd de koran uit zijn hoofd kende. Ook zijn zoektocht naar uiterlijke en innerlijke kennis wordt kort beschreven; deze voert langs onder andere Marokko, Tunesië en Arabië (Mekka en Medina). (p. 123) Na een bedevaart werd Ahmad Tijani geïnitieerd in de tarîqa Halwatiyya door zijn Meester Mahmûd al-Kurdî, deze gaf hem toestemming (ijâza) om de mensen deze leer bij te brengen.


Dan volgt een bijzonder deel van dit hoofdstuk. Ahmad Tijani wordt gevraagd zijn meesters te verlaten en nu nog maar op één meester af te gaan: Muhammad (vrede zij met hem). Dit op verzoek vàn Muhammad (vrede zij met hem). Ik zal proberen een duidelijke vertaling te geven van dit deel. De vertaling is van het Frans naar het Nederlands, deels maak ik daarbij gebruik van diverse onlinewoordenboeken (géén Google Translate). Bij voorbaat mijn excuses wanneer de zinnen door mijn vertaling niet lekker lopen. Goed, over de verschijning van Muhammad (vrede zij met hem) aan Ahmad Tijani:

(p. 125) “Nadat hij voor wat betreft de initiatie middels de conventionele methode (istilâh) had verkregen waarnaar hij op zoek was, ten dele een overvloedige en aanzienlijke schat, schonk Allah hem [in 1782] de perfecte mystieke Inwijding (Ouverture, zo staat er in het Frans) door de verschijning van de Profeet (vrede zij met hem) die hij innerlijk zag met zijn eigen ogen, die hem gebood de initiatie die hij tot nu toe middels de conventionele methode had gehad, los te laten, zeggende, aldus meester Zarrûq: “Het onderricht middels de conventionele methode (istilâh) bestaat niet meer. Er rest niets meer dan het onderricht middels inspiratie (himma, ‘dessein’ staat er in het Frans).
“Toen zei de Profeet hem: ‘Breek met je meesters. Niemand mag voor jou nog iets betekenen. (Nul de devaient rien te prévaloir). Ik ben vanaf nu jouw meester, jouw initiator. Jij bent mijn echte zoon.’ Dit herhaalde hij drie keer.
“Aldus heeft hij bij hem de litanie (wird) gegeven om te reciteren, [de litanie] die wij heden ten dage verrichten (dan gaat het om de Lazim die je twee keer per dag in afzondering dient te reciteren, elk deel wordt honderd keer gereciteerd):


- de istighfaar (“Astaghfiroellah”)
- de Salaatoul Fatih (gebed voor de Profeet), later nog gecompleteerd met:
 - de tahliel, ook wel ‘haylala’ genoemd (“La ilaha ill’Allah”)

Deze initiatie van Ahmad Tijani door de Profeet (vrede zij met hem) vond volgens de letterlijke tekst van pagina 129 plaats in het jaar 96. Volgens een voetnoot komt dit overeen met het jaar 1782 A.D. Ik heb geen idee met welke jaartelling we hier te maken hebben. Ik ga er achteraan en incha Allah kan ik later zeggen: “Weer wat geleerd!”




HOOFDSTUK III
“De spirituele vorming” (p. 135-167)


(p. 135) Herhaald wordt dat de tijd van onderricht volgens de reguliere methode (istilâh) voorbij is en dat we alleen nog maar profijt kunnen hebben van onderricht middels ‘himma’ (dessein, inspiratie) en ‘hâl’ (mystieke staat). “Conformeer je dus aan de Koran en de Sunna, niet meer en niet minder. Hetzelfde geldt voor het gedrag dat je moet aannemen ten opzichte van Allah, de ziel (nafs) en de mensen.

“De houding ten opzichte van Allah draait om drie punten:
 1) Verplichtingen nakomen
2) Verboden vermijden
3) Vertrouwen op (de wil van) Allah

“De te nemen houding ten opzichte van de nafs draait ook om drie punten:
1) Onpartijdigheid zijn
2) De nafs niet koste wat kost als onschuldig zien
3) Jezelf beschermen tegen je fouten daar waar het aankopen, overdracht, voorstellen, l’abord et la séparation betreft (die laatste twee begrippen heb ik niet kunnen vertalen, ook niet in zijn context bezien)

(p. 135) “Voor wat betreft de omgang met de mensen, gaat het [ook] om drie punten:
1) Geef hen wat ze verdienen / waar ze recht op hebben
2) Hecht geen belang aan hun goederen
3) Veroorzaak bij hen geen wrevel, behalve als je iemand de waarheid moet zeggen of bij overmacht (à practiquer obligatoirement staat er in het Frans).

EHMS benadrukt het belang van een meester die een aspirant op de goede weg kan houden of waar nodig daarop kan terugbrengen. Echter, genoeg geleerden die van mening zijn dat zulke meesters niet meer bestaan.

Vanaf p. 153 (tot en met p. 155) laat EHMS Ahmad Ibn Hâlid aan het woord; het gaat hierbij over de landen in de Maghreb in de tiende eeuw (van de Hidjra) maar het zou net zo goed over het Senegal van EHMS en het huidige Senegal kunnen gaan. In het kort gaat het om een grote groep die hun Meester boven andere meesters stellen.

Veel van hoofdstuk III gaat boven mijn tulband maar aan het eind van dit hoofdstuk vind ik op pagina 165 een stuk tekst waar ik wat mee kan, als belangstellende van de tariqa at-Tîjâniyyah (tot nu toe heeft het mij moeite gekost mij een weg te banen door de voorgaande bladzijden):

(p. 165) Op deze pagina laat EHMS de geleerde al-‘Arabi Ibn as-Sâ’ih aan het woord die onder andere zei: “Spirituele vorming, evenals innerlijke reiniging, in onze edele en erkende al-Muhammadiya broederschap, bestaat uit het reciteren van de originele litanie die wij kennen (de ‘wird’ of ‘lazim’) en waarmee wij zònder geen toegang zouden hebben. Dit geldt voor zowel de elite als de massa. Er zijn andere litanieën die niet minder verplicht zijn, te weten de wazifa die we kennen en de ‘haylala’ (tahliel) die we vrijdag na het asr gebed reciteren – met inachtneming [van dat alles] is het belangrijkste het met uiterste precisie verrichten van de vijf dagelijkse gebeden, volgens de benodigde wijzen en vastgestelde regels van de sharia.” Kijk, daar kan ik wat mee :-)




HOOFDSTUK IV
“De tarîqa al-Muhammadiya al-Ahmadiyya” (p. 169-197)


de tombe van Cheikh Tijani te Fez, Marokko

Een hoofdstuk gewijd aan de tarîqa, rekening houdend met de kritieken op deze tarîqa en deze kritieken ook parerend. Het is een hoofdstuk dat voor mij in hoge mate onoverzichtelijk is: véél commentaren in commentaren (waar eindigt het ene commentaar en waar begint het andere), citaten in citaten (is EHMS nu aan het woord of een geleerde die hij citeert) (soms citeert EHMS een geleerde die een andere geleerde citeert). Laat ik mij beperken tot een keuze uit delen die ik wel denk te begrijpen:

(p. 175-181) Heiligen en Meesters kunnen ook ná hun dood nog inspireren. Hun volgelingen worden door de geleerde Zarrûq in vijf categorieën ingedeeld:

1) Hij waarvoor Allah Zelf voor het spiritueel onderricht zorgt zonder enige vorm van tussenkomst

2) Hij die spiritueel wordt onderricht door de Profeet (vrede zij met hem)

3) Hij die spiritueel wordt onderricht door een nog levende Heilige (walî). Hierover zei Cheikh Tidjani: “De spirituele meester moet worden gezocht door de volgeling als een zieke die, verslagen door ziekte, zich niet kan genezen en is veroordeeld tot het inroepen van de hulp van een dokter. […] Onverschillig blijven ten opzichte van een walî levend in jouw tijd, is als onverschillig zijn bij de oproep (appèl) van een Boodschapper van Allah van een bepaalde tijd.”

4) Hij waarvan het spiritueel onderricht wordt door een muqaddam die hem een wird geeft die toebehoort aan één van de overleden geliefde gnostische meesters – de toestemming op deze wijze een wird te praktiseren is een immense zegening.

5) Hij waarvan het spiritueel onderricht wordt verzekerd door een overleden walî die tijdens zijn leven tot de grootste Heiligen behoorde. De geleerde al-Fâsî zegt hierover: “De geleerden hebben ook gezegd dat een levende volgeling spiritueel gezien deels kan bogen op zijn overleden meester.” En dan over de te volgen meester:

(p. 183) “Hij die strikt de vijf fundamenten van de Islam naleeft, met inachtneming van de verplichtingen, de voorwaarden en de aanbidding die ze in zich hebben - [hij die] zich onthoudt van het verbodene, zich voegt naar de Traditie van de Profeet (vrede zij met hem) - [hij die] wel weet wat Allah heeft voorgeschreven voor alles wat hij wilt ondernemen - en [hij waarvan] de geleerden van zijn tijd unaniem zijn Heiligheid erkennen – hij is het waard om gevolgd te worden en men moet hem gehoorzamen. Hij bij wie één van deze eigenschappen ontbreekt mag niet in overweging genomen worden [om te volgen].”

En dan over de valse meesters:

(p. 185) Op deze pagina zegt EHMS (of Zarrûq): “[…] de massa vecht erom om hen [de valse meesters] cadeaus aan te bieden, we zien hele volksstammen met cadeaus naar ze toegaan. De reden van deze verdwaasdheid is dat zij [de volgelingen] demonen dienen die hen opdragen: - de dagelijkse gebeden te laten, of ze wel te verrichten maar dan zonder de rituele wassing – of de rituele wassing te verrichten met urine – of de gebeden expres zonder geldige reden zittend te verrichten. Wanneer je hen [de volgelingen] vraagt waarom ze bidden, antwoorden ze dat ze niet in staat zijn het anders te doen. De demonen kunnen hen net zo goed opdragen het interieur van de moskee met hun eigen urine te bevuilen.”

EHMS gaat ook in op de invloed die overleden Meesters hebben. Daarbij haalt hij de meester al-Haddâd aan:

(p. 193) “Hij zei ook: ‘Bij de dood van mannen van verdienste verliezen we alleen hun lichamelijke verschijning. Maar hun essentie (réalités essentielles) blijft voortbestaan. Zij leven in hun graven. Als de walî in hun graven leven, verliezen ze niets van hun kennis, van hun intelligentie, van hun spirituele kracht. Eenmaal overleden, winnen hun zielen aan inzicht, aan kennis, aan spiritueel leven en richten zij hun aandacht meer op Allah. Als er aan beroep op hun zielen wordt gedaan met welke wens / welk voornemen dan ook, dan realiseert Allah die wens/ dat voornemen om ze eer aan te doen.”

Vele niet-spirituele gelovigen (en niet-gelovigen) haken wellicht af bij zulke alinea’s. Maar wacht, er is meer :-). Zoals deze alinea:

(p. 193) “Maar de schepping ex nihilo (uit het niets) is alleen voorbehouden aan Allah, alleen aan Hem. Hij is niets of niemand in enige opzicht gelijk. Aldus heeft de leven de of overleden walî welbeschouwd geen enkele invloed op wat dan ook. Wie overtuigd is van het feit dat de walî enige invloed heeft op wat dan ook, is een ongelovige. Zo zijn er tussen de bewoners van de Tussenwereld (barzâh) walî die zich bevinden in de nabijheid van Allah (Heilig en Verheven). Als iemand zich tot hen richt [met een verzoek] om bemiddeling, richten zij zich op hun beurt tot Allah ter realisering van dit verzoek.”




HOOFDSTUK V
“Weerlegging van kritieken” (p. 199-337)

EHMS neemt uitgebreid de tijd om zijn lezers te voorzien van materiaal om kritieken op de tariqa te kunnen verleggen. Probleem is alleen dat ik van dit hoofdstuk niet alles begrijp. Laat ik ook hier, net zoals bij het voorgaande hoofdstuk, wat fragmenten voorbij komen waarvan ik denk dat ik het wel (deels) begrijp. Om toch te proberen de essentie van het gehele hoofdstuk te grijpen, zal ik van een aantal koranverzen die door EHMS geciteerd worden een Nederlandse vertaling weergeven (afkomstig van een Arabisch-Nederlandse koran die ik thuis heb). Uiteraard zal ik ook linken naar de betreffende online koranverzen (op die manier kun je ook het Arabische origineel van deze verzen raadplegen, tevens vind je dan interpretaties in andere talen dan het Nederlands).

ZIKR (v.a. p. 199)
Als eerste komt zikr aan de beurt. Blijkbaar zijn er genoeg gelovigen die hier vraagtekens bij stellen. Uiteraard wordt hier het koranvers 33:41 aangehaald: “O, gij die gelooft! Gedenkt Allah veelvuldig.” De zikr is het loven van Allah, dus wat zeur je nou? Zo luidt de essentie van het weerwoord. Vele voorbeelden worden aangehaald: koran, hadiths, maar met name commentaren van geleerden.

SALAATOUL FATIH (v.a. p. 203)
De Salaatoul Fatih is het gebed voor de Profeet dat deel uitmaakt van de wird en de Wazifa, litanieën die dagelijks meerdere malen in afzondering (wird, Lazim) en in gezelschap (Wazifa) worden gereciteerd door aanhangers van de tarîqa at-Tîjâniyya. De Salaatoul Fatih is een gebed waaraan veel waarde wordt gehecht, het is immers overgedragen aan Cheikh Tijani door onze Profeet Muhammad zelf.

www.youtube.com/watch?v=oNr6WX_BMEM



JAWHRATOUL KAMAL (v.a. p. 209)
Ook de Jawhratoul Kamal moet het ontgelden. Dit gebed voor de profeet is het laatste deel van de Wazifa. De kritiek op Cheikh Tijani voor wat betreft dit gebed is met name: waarom mag dit gebed alleen worden uitgesproken wanneer je de rituele wassing met water hebt verricht (en niet bijvoorbeeld een symbolische reiniging met zuiver zand). “Alsof de Jawhratoul Kamal belangrijker is dan de dagelijkse gebeden (salaat) die - wanneer het niet anders kan – wèl mag worden gedaan na een symbolische reiniging met zand. Weerwoord van EHMS: Je kunt zo zien dat de salaat belangrijker is dan de Jawhratoul Kamal, omdat de Jawhratoul Kamal als onderdeel van de Wazifa mag worden vervangen (door bijvoorbeeld de Salaatoul Fatih) terwijl de salaat niet vervangen mag worden. Aan de salaat mag niet getornd worden, het is immers één van de vijf zuilen van de Islam.

www.youtube.com/watch?v=NsT4ifPNKB0



Dit gebed voor de Profeet is mij zeer dierbaar. Het heeft héél lang geduurd tot ik het uit het hoofd kon reciteren. Ik heb dus heel lang de Wazifa gereciteerd zonder aan het eind twaalf keer de Jawhratoul Kamal; in plaats daarvan dertig keer de Salaatoul Fatih. Ik heb overigens alleen toestemming voor het gebruik van de Salaatoul Fatih bij mijn aanbidding (zie mijn weblogbijdrage Faith & Fatih van 29 april 2007) maar in mijn enthousiasme ben ik mij ook de Jawhratoul Kamal eigen gaan maken – en met succes, mash’Allah. Dat lijkt wel op mijn periode vlak voor mijn bekering tot de islam: ik kende de salaat al uit mijn hoofd en bad al mee zonder dat men door had dat ik nog geen moslim was.

VERSCHIJNING VAN DE PROFEET (v.a. 231)
EHMS maakt ook korte metten met hen die het bi’da (een toevoeging aan de geloofspraktijk) vinden dat er wordt gesproken over de aanwezigheid van de Profeet bij vieringen, zikr en andere religieuze gebeurtenissen: “Voor wat betreft de mogelijkheid van de Aanwezigheid van de Profeet tijdens religieuze bijeenkomsten: alleen de onwetende verwerpt dit, want hij gaat voorbij aan het feit dat zulks vele mannen van verdienste is overkomen.” EHMS geeft dan enkele voorbeelden. Of dit twijfelaars over de streep kan trekken, betwijfel ik, het blijft een kwestie van geloof. “Men ziet hem (de Profeet) van binnen en niet met het oog. Het bewijs hiervoor is dat een blinde hem ook kan zien.”

GEZAMENLIJKE ZIKR, KORANRECITATIE (v.a. p. 243)
“Er zijn er die gezamenlijke zikr bekritiseren terwijl dit juist in vele landen dagelijkse praktijk is. In de hadith-verzameling van Boechari is er zelfs een ‘Hoofdstuk over de legitimiteit van het samenkomen in een kring voor kennisvergaring, koranrecitatie en zikr’. (Gezamenlijke) zikr is sunnah, punt uit.

COEXISTENCE ET PROXIMITÉ D’ALLAH (v.a. p. 271)
In dit gedeelte van hoofdstuk V raak ik echt het spoor bijster. Het gaat hier over twee belangrijke begrippen: de “Coexistence” en “Proximité” van Allah, twee eigenschappen van de Essentie van het Opperwezen waarmee uiteraard Allah (Heilig en Verheven) bedoeld wordt. Deze twee eigenschappen vertaal ik, bij gebrek aan beter, als "Meebestaan" en "Nabijheid". De informatie in dit deel is tè diep voor mij. Alhamdulillah wordt er veelvuldig uit de koran geciteerd:

Soera al-Hajj 22:18 “Hebt gij dan niet gezien dat alles zich voor Allah nederwerpt, wat in de hemelen en op aarde is, de zon, de maan, de sterren, de bergen, de bomen, het vee en een groot deel der mensen; maar toch valt nog velen de kastijding ten deel. En die Allah vernedert, kan niemand verheffen. Voorwaar, Allah doet wat Hij wil.”

Soera al-Baqara 2:3 “[De godvrezenden] die in het onzienlijke geloven en het gebed houden en die weldoen met hetgeen Wij hen hebben geschonken.”

Soera al-Hadied 57:4 “Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes perioden schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen nederkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar gij ook zijn moogt, want Allah ziet alles wat gij doet.”

Soera al-Moedjadilah 58:7 “Ziet gij niet, dat Allah alles weet wat in de hemelen en op aarde is? Er is geen geheim gesprek van drie (personen) zonder dat Hij de vierde is, noch van vijf, zonder dat Hij de zesde is, noch van minder noch van meer, zonder dat Hij met hen is, waar zij ook mogen zijn. Dan zal Hij hen op de Dag der Opstanding mededelen wat zij deden. Voorzeker, Allah heeft kennis van alle dingen.”

Soera an-Noer 24:17 “Allah waarschuwt u om nooit tot iets dergelijks terug te vallen indien gij gelovigen zijt.”

Soera al-Anfal 8:42 “Toen gij op de nabijzijnde kant waart en zij [de vijand] zich op de andere zijde bevonden en de karavaan beneden u was; en indien gij een onderlinge afspraak had gemaakt, zoud gij ten opzichte van die afspraak zeker (van mening) hebben verschild. Maar (dit gebeurde) zodat Allah hetgeen gedaan moest worden tot stand zou brengen, zodat hij die zou omkomen door een duidelijk teken zou sterven en dat hij die zou leven door een even duidelijk teken zou blijven leven. En voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend.”

Soera Muhammad 47:35 “Weifelt daarom niet, noch roept om vrede, want gij zult de overhand hebben. Allah is met u en Hij zal uw daden teniet doen.”

Soera al-Ankaboet 29:69 “En zij die naar Ons streven, - Wij zullen hen zeker op Onze wegen leiden. Voorwaar, Allah is met hen die goed doen.”

Soera al-Anfal 8:46 “En gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en redetwist niet met elkander, anders zult gij laf worden en uw kracht zal vergaan. En weest geduldig, voorzeker Allah is met de geduldigen.”

Soera ash-Shoera 42:11 “Hij is de Schepper der hemelen en der aarde. Hij heeft u tot paren gemaakt, evenals het vee, te uwen behoeve. Daardoor vermenigvuldigt Hij u. Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende.”

Soera al-Waqiah 56:84-85 “En gij ziet toe – op dat ogenblik zijn Wij dichter bij hem dan gij, maar gij ziet dit niet.”

Soera Qaf 50:16 “En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn Ik hem toefluistert. En Wij zijn nader tot hem dan zijn halsader.”


Soera al-Anam 6:18 “Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren en Hij is de Alwijze, en van alles op de hoogte.”

Soera al-Moelk 67:3-4 “Hij Die de zeven hemelen opeenvolgend heeft geschapen. Gij kunt geen tekort zien in de schepping van de Barmhartige. Kijk dan nog eens; ziet gij geen enkel gebrek? Kijk dan weer eens en dan nog eens, uw blik zal vermoeid en verzwakt tot u terugkeren.”

Soera al-Jinn 72:26-27 “Hij is de Kenner van het onzienlijke en Hij geeft niemand overvloedig kennis van Zijn geheimen. Behalve hem die Hij als boodschapper kiest. Dan doet Hij een wacht vóór hem en achter hem gaan.”

Soera Yunus 10:63-64 “Zij die geloven en zich aan rechtvaardigheid houden, er zijn voor hen blijde tijdingen in het tegenwoordige leven en het Hiernamaals. De woorden van Allah kennen geen verandering - dat is inderdaad de opperste zegepraal.”

Soera Ta-Ha 20:46 “Hij (Allah) zei: ‘Vreest niet, want Ik ben met u. Ik hoor en Ik zie.” Soera at-Tauba 9:40 “Als gij hem (de profeet) niet helpt, voorzeker Allah hielp hem, toen de ongelovigen hem verdreven - toen hij één van de twee was – en zij beiden in de grot waren en hij tot zijn metgezel zeide: ‘Treur niet, want Allah is met ons.’ Toen zond Allah Zijn vrede op hem neder en versterkte hem met scharen (van engelen) die gij niet zaagt en vernederde het woord van de ongelovigen en Allah’s woord is het allerhoogste. En Allah is Almachtig, Alwijs.”

Soera ash-Shoeara 26:61-62 “En toen de twee scharen elkander zagen, zeiden de metgezellen van Mozes: ‘Wij worden zeker ingehaald.’ ‘In geen geval!’ zeide hij, ‘Mijn Heer is met mij. Hij zal mij leiden’.”

Soera an-Nahl 16:128 “Voorwaar, Allah is met degenen, die (God) vrezen en goeddoen.”

Deel 1 van de Jawhratoul Kamal
JAWHRATOUL KAMAL (v.a. p. 315)
Nogmaals de Jawhratoul Kamal. Ik heb geleerd het twaalf maal te reciteren (als onderdeel van de Wazifa). Volgen er in dit deel hele verhandelingen over mensen die menen dat het elf keer gereciteerd moet worden, zoals in het begin de gewoonte was. EHMS ziet het reciteren “met elf stenen” als heiligschennis omdat Cheikh Tijani immers later in zijn leven het reciteren van de Jawhratoul Kamal heeft vervolmaakt met het toevoegen van “een steen”. Die stenen verwijzen natuurlijk naar de gebedsketting die bij het reciteren gebruikt wordt.

SALAATOUL FATIH (v.a. p. 323)
Het grootste deel van dit deel over de Salaatoul Fatih wordt in beslag genomen door een op rijm gezette verhandeling (p. 325-331) waarin de verdiensten van (het reciteren van) de Salaatoul Fatih voorbij komen. EHMS stelt dat het regelmatig reciteren van dit gebed voor de Profeet je sleutels geeft die deuren naar spirituele geheimen openen. Zelf hecht ik veel waarde aan het reciteren van dit gebed, maar ik heb nog zeker niet het idee dat het voor mij deuren heeft geopend. Dat geeft ook niet. De Salaatoul Fatih heeft inmiddels een vaste plaats in mijn aanbidding, daar voel ik mij goed bij en incha Allah is mijn Schepper tevreden met wat ik doe. En, sabr is een schone zaak ;-)

VERDRAAGZAAMHEID (v.a. p. 333)
Het laatste deel van dit hoofdstuk (V) gaat over verdraagzaamheid binnen de moslimgemeenschap. Strekking: Wanneer je een medemoslim haat omdat hij wat heeft uitgehaald wat niet mag, veroordeel dan wat hij heeft gedaan en niet de medemoslim zelve. Alles goed en wel. Maar dat zie ik mij nog niet in honderd procent van de gevallen doen, zeker daar waar het terrorisme betreft gepleegd door medemoslims.





HOOFDSTUK VI
“Kritiek en schending van de eed” (p. 339-407)

VALSE MEESTERS 1 (v.a. p. 339):

Een hoofdstuk gewijd aan hen die voorwenden dat zij toestemming hebben gelovigen te initiëren in de Orde. Dan gaat het met name om hen die zich niet aan de leer van de Cheikh houden en dus niet zijn voorbeeld volgen. Deze houding knabbelt aan de basis van de tarîqa at-Tîjâniyya. EHMS: “Zij bouwen op met hun woord, maar breken af met hun daden.” Op deze manier kunnen volgelingen, wanneer zij niet gewaarschuwd zijn, van de Orde (tariqa) afdwalen, zonder dat ze het in de gaten hebben.

Soera at-Tawbah 9:74 “Zij zweren bij Allah, dat zij niets zeiden, maar voorzeker zij spraken het woord des ongeloofs en na de Islam te hebben aanvaard, verwierpen zij deze en zij besloten tot hetgeen zij niet konden volbrengen. Zij koesterden haat alleen omdat Allah en Zijn boodschapper hen uit Zijn overvloed hadden verrijkt. Als zij berouw tonen zal het beter voor hen zijn, maar indien zij zich afwenden zal Allah hen met een pijnlijke straf in deze wereld en in het Hiernamaals straffen en zij zullen op aarde vriend nog helper hebben.”

Soera al-Humazah 104:6-7 “Het is het Vuur dat Allah heeft aangewakkerd, dat boven de harten zal opstijgen.”

INITIATIE (v.a. p. 347):

Van pagina 347 tot en met 359 wordt de wijze van initiëren beschreven, eindigend met een overzicht van vijf manieren waarop een verbond met een Orde wordt aangegaan, elke volgende wijze lijkt een niveau hoger dan die daarvoor:

1) Het uitspreken van de tahliel (de ‘haylala’) met de vuisten tegen elkaar (dan wordt er neem ik aan bedoeld de vuisten van de Meester tegen de vuisten van de volgeling)

2) Sympathie uiten voor de leden van de Orde door zich bij hen aan te sluiten, niet slechts door het simpelweg reciteren van één van hun litanieën maar, zegt EHMS, “[kijk ook naar] wat de meester Abû al Hasan asj-Sjâdilî heeft gezegd: ‘Hij die onze hizb reciteert heeft zo dezelfde rechten en plichten als ons met betrekking tot barmhartigheid’.”

3) Toestemming krijgen de werken en de gebeden van de Orde te gebruiken zonder te zoeken naar de betekenis, maar slechts voor het verkrijgen van zegeningen. Nu ik duidelijk niet alle betekenissen neergelegd in deze en de twee andere werken over El Hadji Malick Sy kan doorgronden, maar wèl zeer gemotiveerd ben de litanieën typisch voor de tariqa at-Tîjâniyyah te gebruiken in mijn aanbidding, lijkt deze wijze van verbintenis aan de tariqa mij, op dit moment althans, op het lijf geschreven.

4) Kennis opdoen in de vorm van het lezen van hun werken en huh gebeden [met de intentie] de betekenis binnen te dringen zonder zich aan de praktijk ervan te conformeren.

5) Het zich opleggen van spirituele oefening, perfectie en uitdraging door te werken met, en op te gaan in, de Eenheid en de Eeuwigheid.




Soera al-Fath 48:10 “Voorwaar, zij die u trouw zweren, zweren trouw aan Allah; Allah’s hand rust op hun handen. Doch wie Zijn eed schendt, doet dit tot zijn eigen nadeel en wie zijn belofte aan Allah vervult, Hij zal hem een grote beloning geven.”

Soera al-Moemtahinah 60:12 “O profeet! Waneer gelovige vrouwen tot u komen, haar eed van trouw aan u afleggende; dat zij niets met Allah zullen vereenzelvigen, en dat zij noch zullen stelen, noch overspel plegen, noch hun kinderen doden, noch laster die zij moedwillig hebben verzonnen, zullen uiten, noch ongehoorzaam zullen zijn aan u in wat recht is, neem dan haar trouw aan en vraag vergiffenis voor haar van Allah. Waarlijjk, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.”

Soera asj-Sjarh 94:5-6 “Voorwaar, zo komt gemak naast ongemak. Voorwaar, gemak komt naast ongemak.”

Soera al-Isra 17:14 “Lees het boek. Uw eigen ziel is op deze dag als rekenaar tegen uzelf voldoende.”




EENHEID IN VERSCHEIDENHEID (v.a. p. 361):

EHMS: “De verspreiding van de Ordes heeft te maken met de verschillen in geschiktheid en met de natuurlijke aanleg. Want twee individuen zien nooit iets op dezelfde manier. En het is onmogelijk dat de Allerhoogste aanwezig is bij de één en afwezig bij de ander.”

Soera ar-Rahmaan 55:29 “Van Hem smeken allen, die in de hemelen en op de aarde zijn, (gunsten) af. Elk ogenblik toont Hij een andere Heerlijkheid.”

Soera Ta-Ha 20:98 “Uw God is slechts Allah, naast Wie er geen God is. Hij omvat alle dingen in Zijn kennis.”

Soera Yusuf 12:76 “[…] Wij bevorderen in graden (van kennis en eer) wie Wij willen. Boven elke wetende staat de Alwetende.”

VALSE MEESTERS 2 (v.a. p. 365):

Dan komt EHMS terug op het oorspronkelijke onderwerp van dit hoofdstuk: zij die voorwenden toestemming hebben te initiëren. In zijn tijd ziet EHMS veel van zulke mensen: “Keuze genoeg”, zegt hij met zoveel woorden. Zulke mensen die uit vrije wil de voorschriften de voorschriften misbruiken hebben Zijn Woord niet goed begrepen. Daarbij haalt EHMS vers 1 van soera 5 (al-Maidah) aan: “O, gij die gelooft, komt uw verdragen na […]” dat wil zeggen de verdragen tussen de Mens en Allah, die tussen de mensen onderling èn – specifiek voor soefi’s – de verdragen tussen volgelingen en spirituele meesters.

Het zoeken naar een spirituele meester wordt zo wel erg moeilijk, lijkt me. Want wie, met name in deze tijd, kan nog een betrouwbare meester vinden? Hoe kun je er van overtuigd zijn dat iemand jou op het pad van de tariqa kan leiden?

(p. 385) “De spirituele Meester moet worden gezocht als een dokter die wordt gezocht door een zieke die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte” en, nòg belangrijker: eenmaal verbonden aan de tariqa mag een volgeling geen meester van een andere tariqa bezoeken om ook daar zegeningen te ontvangen (dat heet het ‘opeenstapelen van wirds’).





HOOFDSTUK VII
“Tabak en het bezoek aan heiligen” (p. 409-427)

Twee heel verschillende kwesties in één hoofdstuk; apart om ze in één adem ‘genoemd’ te zien worden. Over het gebruik van tabak zijn de meningen verdeeld, maar aldus EHMS:

(p. 417) “De meerderheid van de gewetensvolle rechtsgeleerden, waaronder alle soefi’s met hun gereinigde harten, hebben het (tabak) ronduit verboden. En ik ben er van overtuigd dat wanneer de rechtsgeleerden van mening verschillen over een voorschrift en de soefi’s nemen [allemaal] één en hetzelfde standpunt in, dat zij dan de waarheid aan hun zijde hebben – [zeker] wanneer wij weten dat Allah hen steunt en dat zij verstoken zijn van aardsgenot en dat zij altijd praten volgens [de principes van] waarheid en rede.”

De tweede kwestie gaat natuurlijk over het bezoeken van heiligen die niet behoren tot jouw eigen tariqa (zoals eerder aangestipt in het vorige hoofdstuk). Ook daarover (wat een verrassing) verschillen de geleerden van mening. Met betrekking tot zulke bezoeken deelt EHMS meesters in in drie categorieën (p. 421):

1) “Zij die hun volgelingen welke soort bezoek dan ook aan een andere meester niet verbieden

2) “Zij die zulke bezoeken absoluut verbieden om te voorkomen dat zij de ene Meester boven de andere stellen

3) “Zij die zulke bezoeken verbieden totdat blijkt dat de volgeling in kwestie perfecte zelfbeheersing en zelfcontrole heeft en dat ze beseffen dat de bron waarvan de meesters drinken [voor elk van hen] dezelfde is. Het verbod eenmaal opgeheven staat het hen vrij hen te bezoeken die ze willen.”

Cheikh Tijani verbiedt het zijn volgelingen om anderen te bezoeken. Daarover zegt EHMS aan het eind van pagina 421 het volgende:

“Ik wil aangeven dat het verbod van onze Cheikh […] hem niet is ingegeven door een simpele zendingsijver. Het is een bevel van de Meester der schepselen (Muhammad, vrede zij met hem) die, na het voltooien van zijn (de Cheikhs) spiritueel onderricht, dit verbod heeft ingesteld als een clausule om de Orde te respecteren. Ook heeft hij (Muhammad) hem (de Cheikh) gevraagd volgelingen de toestemming af te nemen om de wird te verrichten wanneer zij deze clausule overtreden.”




APPENDIX
“De doctrine van de Tîjâniyya broederschap” (p. 429-465)

Deze appendix is een verhandeling over de beginselen van de broederschap der tijani’s verdeeld in vier delen: 1) verplichtingen en voorwaarden, 2) regels met betrekking tot het reciteren van de wird (Lazim), 3) regels met betrekking tot de Wazifa en 4) regels met betrekking tot de tahliel (de ‘haylala’) die vrijdags na het namiddaggebed gezamenlijk wordt gereciteerd (de Hadratoul Juma).

De inhoud van deze appendix ben ik al regelmatig tegengekomen op diverse tijani websites. Tekstlinks in de alinea hierboven verwijzen naar meer achtergrondinformatie over de genoemde thema’s. Voor meer informatie over het tijanisme verwijs ik je naar: www.asfiyahi.org.




Dit waren mijn aantekeningen bij mijn eerste indrukken bij de eerste lezing van de Ifhâm. Ik vraag aan Allah vergiffenis voor de fouten die ik heb gemaakt, qua inhoud, vertaling of anderszins. Amiin.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Zeg 't maar

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.